'Koerezel'

(Choer et zčle/Suisse)

Koerezel:

Het woord 'koerezel' doet eerder denken aan een scheldnaam dan aan een kerkelijk ordehandhaver. De koerezel, ook wel 'Suisse' genoemd, werd ingezet bij kerkelijke plechtigheden en hoogfeesten. Hij liep dan zo trots als een pauw met zijn blinkende wapenuitrusting ,bestaande uit lans en zwaard, door de kerk om de bezoekers eraan te herinneren dat zij in het huis van God waren.

Waar komt het woord 'koerezel' vandaan zult u zich afvragen, wel volgens de lezers en ik sluit mij daarbij aan, stamt het woord uit de Franse tijd. De ordehandhaver uit die tijd droeg over zijn borst een lint waarop met grote letters geschreven stond: 'Choeur et zčle'. Letterlijk vertaald betekend het: met koor en ijver.De doorsnee Maastrichtenaar, die de leeskunst niet machtig was, hoorde enkel het woord: Käör ee zčl, gevolg: verbastering tot 'Koerezel'. In het algemeen hadden deze ordehandhavers geen problemen met gelovigen, zij wisten zijn aanwezigheid op de juiste hoogte in te schatten, doch in de zomermaanden als toeristen het huis van God wilden bezoeken kon het wel eens gebeuren dat al te frivool geklede toeristen verzocht werd het kerkgebouw te verlaten. Dat dit verzoek in de grootste stilte werd gedaan is zondermeer duidelijk doch de uitvoering daarvan liep wel eens uit de hand. Gelukkig bleef dit echter bij een enkel incident.

Nu een knipoog naar onze ordehandhavers! Wie waren deze vier deftige mannen met hun fraaie uitrusting? Op de foto zien we van links naar rechts, de heren H. Bonten van de Onze Lieve Vrouweparochie, F. Castermans van de Sint Servaasparochie, J. Sassen van de Sint Martinusparochie en tot slot J. Gilissen van de Sint Mathiasparochie, deze volgde later de heer Bonte op . Fotograaf Frans Lahaye 'verschalkte' de koerezels in een ontspannen houding. Dit gebeurde tijdens het samenstellen van de Heiligdomsvaartstoet in 1976 op de Wilhelminasingel.

Naor Bove

Ik heb op het grote internet twee verhalen gevonden waar de 'Koerezel' in voorkomt.

Koerezel, Limburgse jaarkrans (onder ps. Karel Matthijs)(1955)–C. Thewissen

De koor­ezel, in een bepaald seizoen hoort hij niet thuis, maar in de kleine vakantie van Pasen, als het regenachtig weer was en wij niet naar de Koompe met haar onvergetelijke Sjaopeberreg (schapenberg) konden trekken om oorlog te ‘viere’ of ‘vörke te steke’ (vuurtje stoken), dan werd de kinderbende dagelijks naar het elfuremisje gedirigeerd.

Dan waren we tenminste dat uur alweer van de vloer. De elfuremis in Sintervaas (St.Servaas Basiliek) behoort voor goed tot het verleden. Zondag is zij de mis van half twaalf geworden en bracht daarmede een klap toe aan een andere traditie, de pantoffelparade op het Vrijthof, en door de week is zij helemaal afgeschaft. Het was de daagse mis voor de langslapers, ouwe heertjes en tantes en jonge dametjes, die thuis eigenlijk geen serieus werk hadden en dan om elf uur graag een nieuw mantel kostuumpje gingen laten zien, en ­ in de vakantie ­ voor de schooljeugd. In de donkere Servaaskerk op een sombere vakantiedag was deze elfuremis voor ons kinderen niet zo erg aantrekkelijk, en het is daarom dat ik in deze dagen aan de koorezel denk, want hij was dan ­ als hij kleurig en plechtig voorbij gestapt kwam ­ een genot voor ons kinderoog, ja een verrukking, mengeling van bewondering en devotie, die we zo lang mogelijk bleven nakijken en waar we 't altáár om vergaten. Over een koorezel wordt niet altijd zo eerbiedig gesproken.

Vreemdelingen die hem voor het eerst zien, spotten wel eens over ‘schoppenboer’ en inderdaad met zijn steek op en zijn hellebaard lijkt hij er een beetje op. En dan waren er vroeger wel die graag hun drupke lustten en voor wie vooral het lof op Zondagmiddag een hele karwei was. We hebben een hele dikke koorezel gehad in Slevrouwe (Onze Lieve Vrouwen Basiliek), en nu was dat zo erg niet want de mensen zeiden, dat ‘'ne koerezel e bitteke boek moot höbbe’ (een koorezel moet een beetje buik hebben). Maar déze kon zijn waardigheid wel eens verliezen als hij met losgeknoopte tuniekkraag en achterover geschoven pluimensteek achter in de kerk stond, zo maar tussen de manslui, te midden van de tollenaars der parochie. Naderde de Benedictie, dan knoopte hij zijn uniformjas met inspanning dicht, zette zijn steek recht, zocht zijn hellebaard, die ergens tegen een pilaar gestaan had, en dan trok hij, véél meer rechtop dan nodig was ­ er mochten soms parochianen zijn, die meenden dat hij niet meer recht liep! ­ in de richting van het priesterkoor. Zijn gezicht was dan zo rood als de kraag van zijn kostuum. In Wijk, en in de St. Matthijs, hebben ze koorezels gehad die veel te mager waren. Dat was óók niks gedaan.  Maar in Sintervaas, dáár was een koorezel zoals je je geen mooiere kunt denken. Hij moet daar wel schrikkelijk lang geweest zijn, misschien wel zo lang als de koster Mertz, die ruim zestig jaar met de grote sleutelbossen rondgelopen heeft en de collecteschalen bespiedde of die vreemde paters niet ál te zeer de financiële room van de melk afhaalden tot schade der parochie. Deze koorezel was een en al waardigheid. Zijn grijze haren deden voor geen monseigneur of Deken onder. Hij droeg zijn uniform, zoals een oud-generaal dat doen zou, deftig en niet overdreven bont. De eerwaardige ouderdom zat in zijn gehele gestalte en hij trekkebeende een beetje, wat de indruk maakte alsof hij op het veld van eer een lichte en daardoor romantiek invaliditeit had opgelopen. Zijn veld van eer was de kerk, en zo verenigde hij in zijn persoon de eerbiedwaardigheid van een prelaat met de kranigheid, de stramme kranigheid, van een officier. Ik heb hem wel eens gadegeslagen als hij in de sacristie zich aankleedde. Ik geloof, dat hij gebeden prevelend zijn witte handschoenen aanschoof, plechtiger dan een bisschop dat deed, en geen abt hanteerde zijn staf eerbiediger dan hij zijn hellebaard. Ik zie hem nog gaan, de linker gehandschoende hand hield de blinkende schede van zijn degen vast, en gekomen voor het middenschip, bracht hij het lange steekwapen van de rechter naar de linkerhand over, en groette met de hand aan zijn pluimenhoed. Ik heb dikwijls gedacht dat hij alsmaar liep te bidden, maar ook dacht ik wel eens, dat hij rechtop als de konijnen met zijn ogen open kon slapen, zó steen stil als hij kwartieren lang kon blijven staan. Hij hoefde geen orde te handhaven zoals andere koorezels, die strijdlustig rondblikken in de hoop dat iemand een aanslag op de pastoor zal plegen of herrie schoppen, want waar mijn vereerde koorezel verscheen, daar verhoogde hij méér dan een kapelaan de eerbied en de stilte in de kerk. Hij verwaardigde zich ook niet naar draaiende kinderen te kijken, want die vielen doodstil tegen hun stoeltje en staarden hem met open mond vererend na.

Zoals deze koorezel was, zó ongeveer moesten ook die officieren in Rome bij de Paus zijn van de adellijke lijfwacht, die we nooit gezien hadden. Als bij de aanvang van een plechtige dienst de sacristiedeur opengezet werd en de brede stoet van koorknapen met kandelabers en wierookvaten, van priesters in stijve dalmatieken en kappen van goudbrokaat, galoen en zij naar buiten traden, dan was het de koorezel, die aan al die pracht nog meer luister bijzette. De koorezel is een onmisbaar fragment van de schoonheid van het kerkinterieur, want hij komt nooit buiten de kerk behalve ééns, ja ééns, maar dan keert zich onze kerk eigenlijk helemaal binnenste buiten, dan worden alle kasten en laden der sacristie uitgehaald voor de schoonste paramenten, dan draaien de zware deuren der schatkamers op hun scharnieren, dan worden de antieke vanen gereed gezet tegen de pijlers der kerk en dan bonst de Grote Klok over het Vrijthof. Onder de Mei­groene linden op het Vrijthof rekken zich dan de halzen en kijken de mensen tussen de kerken. Zien ze daar de sneeuwwitte hanenveren van de koorezel in de zon, dan zeggen ze tevreden: ‘Dao keump ze!’ (Daar komt ze). En dan komt ze naar buiten stappen, de ‘Groete Percessie’ (Grote Processie) en legt een schone fonkelende ring rond het Vrijthof... En eer je er op verdacht was, was het elfurenmisje uit, want het was de koorezel die op een donkere regenmorgen al deze fleurige beelden had opgeroepen, zo intens, dat Consecratie en Communie ongemerkt passeerden. Maar het zal zo zwaar geteld niet zijn, want het waren toch allemaal schone heilige zaken, waarmee je fantasie was gaan lopen.

 

Wieker Broonk, (Wijcker Bronk) Auteur(s): René Heckers

Harrie was door zijn zwager uitgenodigd om in de wijk Wyck naar de processie te komen kijken. De Wijcker Bronk werd wel niet meer gevierd zoals vroeger, maar de processie hadden ze in ere gehouden. Harrie en zijn zwager hadden zich een goed plaatsje gezocht op de Rechtstraat. daar konden ze alles goed zien. Om half twaalf begon de processie te trekken. De processie van het Zwarte Kruis van Wyck. Misdienders kraaltjes, broodjes en andere kinderen die iets moesten uitbeelden liepen met vlaggen, vaandels en beelden werden meegedragen. De harmonie in vol ornaat speelde  haar mooiste liedjes en het bestuur liep voorop  in slippenjas. Het beeld van het Zwarte Kruis van Wyck werd gedragen door een man of tien. Een paar kon ik ervan, die kwam ik wel eens tegen in het café van Math Devoux, Au Montoun Blanc (Het Witte Schaap) op de Kersenmarkt, onder het drinken van een glas bier. In het café was men volgens de laatste mode gekleed en hadden ze een grote mond als ze allerlei avonturen vertelde over de vrouwen. Nu zagen ze anders uit en hadden geen grote mond, maar een uitgestreken gezicht en hadden ze een lang kleed aan, net zoals de paters.

Toen Harrie die mensen allemaal zo zag lopen, dacht hij bij zijn eigen 'Slivenhier heet raar kosgengers' (Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers). Daar liepen koerezele (koorezelen) mee. Niet één, maar drie! Wij zeggen tegen zo'n mens 'koerezel'. Maar in deftige kerktaal zou men zo'n man 'Suisse'. Waarom ze in Wyck met drie koerezele voorop liepen was voor Harrie een raadsel. Na een half uur was de processie langs en Harrie wilde naar huis gaan, zijn zwager zei 'kom veer goon us eine drinke bij 'Kien' tegeneuver de kčrk'('kom wij gaan ons nog een drinken bij 'Kien' tegenover de kerk'). Op naar 'Kien' dus. Harrie had gedacht om in een café terecht te komen waar een paar mensen stonden die wat aan het vertellen waren onder het drinken van een glaasje bier. Niets van dat alles. Het was bij 'Kien' hartstikke vol. Leen Mente seelde op haar harmonica en ze gaven op de vroege morgen al flink gas.

Harrie wist niet wat hij zag, het bier stroomde langs alle kanten op hem af. De processie liep op het eind. De café lag recht tegenover de kerk. De processiegangers kwamen zo uit de processie en liepen rechtdoor het café in. Het werd hoe langer hoe drukker. Harrie kende een paar van die mensen. u weet we, van die kerels als bomen, met van die paterskleren aan. Achterin het café zag hij een paar pluimen boven de mensenmenigte uitsteken. En ja hoor, de drie koorezele hingen in het peleton en gingen op de muziek van 'Sjeng aon de geng' op de schouders door het café. Om drie uur vond harrie het genoeg geweest en liep hij met zijn zwager naar buiten. Daar draaide hij zich om  en zei hij tegen zijn zwager 'ik heb toch gelijk gehad, Onze Lieve heer heeft rare kostgangers'!

Naor Bove

Bron: Jef Bastiaens, H.Loontjens, G.Robeers, P.Debie, Website: Verhaal 1 DBNL, Verhaal 2 Zicht Op Maastricht, Foto Zicht Op Maastricht, HCL, foto dhr. Dierix als koerezel door MestreechterSteerke. Tekening DBNL.

eine terök