Prostitutie in Maastricht

(Prostitutie in Maastricht)

 

Prostitutie in Maastricht in vervlogen eeuwen:

 

Inleiding:

Prostitutie stamt al uit de oudheid. In die tijd stelde elke Babylonische vrouw eenmaal in haar leven in de tempel haar lichaam ter beschikking aan een vreemde. Zij kreeg daarvoor een beloning, op die manier had ze haar plicht ten aanzien van de god of godin gedaan. Bij de Romeinen hadden de publieke vrouwen ook al een functie en werden ze ervoor betaald. Toen de steden in de middeleeuwen snel begonnen te groeien kende de prostitutie een enorme 'boem'. Het werd in vele steden gezien als een reguliere professie. Er werd wel een verschil gemaakt tussen een publieke vrouw en iemand die onkuis was, kortom een losbandig leven leidde. Buitenechtelijke seks werd vaak zwaar bestraft. De overheid was de kerk en de kerk was de overheid, zo ook de straffen voor onkuise praktijken. Maagdelijkheid was toen een groot goed. Maar er was soms een oplossing. Was je ze kwijt dan kon je b.v. een jaar lang boete doen in een klooster en je was weer maagd. Je misstap was je vergeven. Dat lijkt ook op toveren!. Vaak werden hoeren aangemerkt als eerloze wezens, en dat betekende dat ze minder rechten hadden dan andere mensen. Zo werden hun hun burgerrechten vaak ontnomen, en konden ze geen aanspraak maken op erfgoederen. Binnen of buiten de stad waren er bepaalde stukken waar ze konden handelen.

 

Op deze wijze werd het eervolle deel der burgers van het oneervolle gescheiden. Kledingvoorschriften zorgden ervoor dat ze op elk ogenblik van de dag herkend konden worden. De kleur geel was daarbij opvallend Geel was de kleur van de marge, overspelige, ketters, beulen, heksen en tovenaars. In Maastricht ( verordening uit 1398), moesten de meisjes van plezier een gele doek over hun hoofddoek dragen. Indien dat niet gebeurde, stond er een boete van een Pietersgulden te wachten. Een helft ging naar degene die de vrouw aangaf, en de andere ging naar de scherprechter. Als er geen vervolging werd begonnen, moesten laatstgenoemden de boete zelf betalen. Er was ook een gangbare maat voor de doek. Hij moest een halve voet breed en een voet lang zijn. Als een publieke vrouw gebruik maakte van iemand die haar aanstuurde, een souteneur, dan kwam er als straf een ijzeren halsband om haar nek. Daarna volgde tien jaar verbanning. Als een prostituee iets misdeed, werd ze in een ijzeren draaikooi links van de grote trap van het stadhuis te schande gezet.

Voor een man gold dat als hij op heterdaad met meisje van lichte zeden betrapt werd, hij  achter de tralies van het stadhuis ten toon gesteld werd. Iedereen kon hem dan bewonderen. Een prostituee werd bij een eerste overtreding bestraft met zes roeden, waarmee elk zes keer geslagen werd. Daarna volgde verbanning. Bij een tweede keer was men strenger. Dan werden tien roeden elk tien keer gebruikt, daarna kwam de draaikooi, en als hoofdgerecht volgde opnieuw verbanning. Waagde een vrouw het om terug te komen, dan werd ze gebrandmerkt en op het schavot gezet. Boven alles gold dat een publieke vrouw de kosten bij het gerecht betaalde. Eind 15e eeuw begon men de zaak te reguleren. Er kwam een verordening die duidelijk maakte dat er in de avonduren geen publieke vrouwen mochten komen op de volgende plekken: het Vrijthof, het St.Janskerkhof, en in de buurt van huis Den Winckel in de Helmstraat. Daar lag het meest aangeziene hotel van de stad, en vrouwtjes in de buurt met hun nering zou de deftige gasten  en het hotel geen goed doen.

 

Op een overtreding stond een straf van een jaar verbanning. De vrouwen hadden in de loop van de 17e eeuw hun werkterrein verlegd naar het Bat. Dat zou lang zo blijven. In de volgende eeuw legde men, wijzer geworden, een relatie tussen de onbeschermde contacten en de veelvoorkomende soa’s. Het Franse hof had in deze tijd al voorbehoedsmiddelen. Men gebruikte daar b.v. geitenblazen. Na de Franse tijd trachtte het bestuur de prostitutie te beperken. Volgens het toenmalige politiereglement moest een lichte vrouw om de tien dagen onderzocht worden. Als ze niet in orde was, kwam ze in het cellenbroedersklooster terecht om te “genezen”. De kosten waren voor eigen rekening. Men gebruikte vaker kwik als geneesmiddel, en dat was niet bepaald gezond! Na 1830 lagen er over de hele stad een fiks aantal bordelen, b.v. in de huidige Bernardusstraat. De Boschstraat en omgeving stonden bekend als plekken waar vooral de garnizoenssoldaten hun fysiek geluk konden halen. Veel prostituees hadden als beroep naaister. Vandaar dat het woord naaien vroeger vaak werd gebruikt als vervanging van copuleren.

 

 Vuile handel in de achttiende eeuw.

Iets meer dan 250 jaar geleden was de Maastrichtse overheid streng.
Toen werd bordeelhouder Jean Cornet uit Wyck nog in het openbaar gegeseld en samen met zijn vrouw en dochter voor eeuwig uit de stad verbannen.
Toch was ook hier meer aan de hand dan alleen prostitutie. De werkwijze van Cornet ging een behoorlijk eind in de richting van hetgeen wij tegenwoordig vrouwenhandel noemen. De zaak kwam in oktober 1751 aan het rollen met de arrestatie van Anna Catharina Hallet en Marie Joseph Baret, die ervan beschuldigd werden 'openbare hoeren en lichtveerdige vrouwspersonen' te zijn. Uit het verhoor van beide vrouwen bleek dat zij hun 'vuile handel' meestal ten uitvoer brachten in het huis van Jean Cornet in de Wycker Grachtstraat. Hij en zijn vrouw Margaretha de Befe waren niet alleen op de hoogte hiervan, maar zetten deze 'vrouwluiden' aan tot het plegen van dergelijke 'wulpsheden'.

Anna Hallet was 25 jaar oud, kwam uit Luik en was getrouwd met een grenadier van het garnizoen van Stevensweert. Verschillende malen logeerde zij in het huis van Cornet, meestal samen met haar man, maar ook een aantal keren alleen. In die gevallen sliep zij bij de dertienjarige dochter van Cornet in bed.
Tijdens zo'n nacht werd zij door de dochter wakker gemaakt, omdat er een groep 'messieurs' was die zij gezelschap moest houden. Het waren vijf militairen, die zich op zolder aan haar vergrepen, betaalden en meteen weer vertrokken. Korte tijd later werd zij opnieuw gewekt, ditmaal door de vrouw van Cornet.
Er was zojuist een tamboer-majoor gearriveerd die nieuws over het garnizoen van haar man had. Verrast begaf zij zich naar beneden, maar helaas, het liedje eindigde weer op zolder. Daarna werd zij nog eens naar boven gelokt onder de valse beschuldiging dat zij de duiven had laten wegvliegen, maar merkte bij het naar boven gaan dat zij op de voet werd gevolgd door een dragonder en een burger. Zij wist dat zij niet de enige was die misbruikt werd, maar had hetzelfde zien gebeuren met verschillende andere jonge vrouwen en meisjes. Zij moesten hun verdiende geld aan Cornet afdragen en ook liet hij hen andere vrouwen ronselen. 's Avonds en zelfs 's nachts klopten soldaten en vrouwen aan bij gastheer Cornet, die altijd klaarstond om hen te ontvangen. Wanneer een patrouille kwam controleren, verborg hij de meisjes in een kast of in de schuur van de buren. Volgens Anna had de vrouw van Cornet geen geslachtelijk verkeer met de klanten. De dochter zat wel vaak bij de soldaten op schoot en gedroeg zich dan nogal familiair. Ook Marie Baret en enige andere meisjes, die een paar weken later verhoord werden, vertelden dergelijke verhalen. Hieruit bleek dat Cornet zelf ook wel eens toenadering zocht.

Hieruit bleek dat Cornet zelf ook wel eens toenadering zocht.Dan was er nog het zielige verhaal over het meisje Rose, waaruit pas echt blijkt dat Cornet een crimineel was. Het arme kind was nog maar twaalf of dertien jaar oud, werd meerdere keren gedwongen zich te laten misbruiken en kreeg slaag als zij begon te jammeren. Een ander meisje klaagde dat zij wel zeven of acht keer op een dag naar boven moest en als zij dan te moe was om nóg een keer te gaan, werd zij gedwongen. De vrouw van Cornet verkocht de meisjes tegen woekerprijzen de kleren die zij aan moesten doen, als zij naar boven gingen.
Intussen had de schout beslag gelegd op de hele inboedel van het huis.Tussen die spullen zaten 'enige vuile prenten'.

Cornet en zijn vrouw waren beiden 43 jaar oud. Zelf waren zij afkomstig uit Charneux (vlakbij Herve). Blijkbaar ronselden zij de vrouwen die zij in huis namen, vooral in Luik en omgeving. De beide verdachten ontkenden alles. Cornet zei dat hij leefde van de verkoop van bier en brandewijn en van de paardenhandel.
Zijn kroeg had veel aanloop van militairen en hun vrouwelijk gezelschap, maar of dat prostituees waren wist hij niet. Onder zijn dak gebeurde in ieder geval niets onoorbaars. De meisjes die hij in huis had, waren alleen maar in de kost. Voor een schelling per dag kregen zij bij hem te eten en gingen 's avonds weer naar huis. Op de vraag of hij hun wel eens vieze plaatjes liet zien om hen 'tot een brutale wellust' te prikkelen, antwoordde hij van niet. Uiteindelijk kreeg hij wegens het houden van een publiek bordeel bovengenoemde straf (openbare geseling). De vrouw en de dochter moesten vanaf de schandpaal toekijken hoe Cornet de hem toebedachte tachtig slagen (met twintig roeden, per roede vier slagen) onderging.

Duitse deernen in de Helstraot.

Nee, zo erg als in Vaals, waar een ganse kolonie Duitse prostituees met haar souteneurs was neergestreken, was het in Maastricht niet.
Kriminalkommissar Hans von Tresckow uit Berlijn, hoofd van de Zentralpolizeistelle zur Bekämpfung des internationalen Mädchenhandels, vond de situatie in Maastricht redelijk ordentelijk.
Drie erkende bordelen telde Maastricht in 1905 met vooral Duitse deernen.
De Berlijnse commissaris was belast met de bestrijding van vrouwenhandel.
Duitse meisjes werden onder vaak valse voorwendsels naar Nederland gelokt. Een baan in de horeca bleek neer te komen op een baan als animeermeisje in een tapperij of als prostituee. De gemeente Vaals had weliswaar in 1904 een bordeelverbod afgekondigd, maar veel effect had dat niet. De talloze kroegen langs de grens waren volgens de commissaris poelen des verderfs. De Duitse hoeren opereerden vooral in Aken, een lucratieve markt met zijn internationaal publiek van welgestelde heren. Maastricht, de stad in Nederland met het oudste prostitutiereglement, telde volgens gemeenteraadslid Charles Ruys de Beerenbrouck, die in 1918 de eerste katholieke premier van Nederland zou worden, twee bordelen met gemiddeld negen Duitse en Belgische dames.
Ook telde Ruys, lid van de Nederlandsche Vereeniging tegen Prostitutie, in 1905 nog eens zes 'bedekte' huizen van ontucht: vier bierhuizen, een rendez-vous huis en een als winkel vermomde hoerenkast. De twee bordelen, die de jonge ambitieuze Maastrichtse politicus ontwaard had, lagen in de Helstraot.
De straat bij de Helpoort was rond 1900 dé rosse buurt van Maastricht. Het aantal bordelen was vergeleken met 1850/1860 flink teruggelopen in Maastricht.
Het had alles te maken met de teloorgang van de vestingstad na 1867. De soldaten waren, gegeven hun misère sexuelle, de voornaamste klanten van de circa veertig prostituees die Maastricht rond 1850 telde. De bordelen lagen toen vooral in Stokstraatkwartier en Boschstraatkwartier, te midden van honderden kroegen waar meisjes animeerden om wat bij te verdienen. In de bordelen opereerden overwegend buitenlandse prostituees. De 'ambulante' prostitutie was meer het domein van vrouwen uit Maastricht en de rest van Nederland. De concurrentie tussen bordelen onderling en tussen hoerenkasten en ambulante reines de trottoir was heftig. In de Helstraat waren twee bordelen.

Een gedreven door de weduwe Dumoulin, een ander door Van Roy. Op allerlei manieren trachtten de bordelen elkaar de klanten af te vangen.
Weduwe Dumoulin schrok er in 1865 niet voor terug Van Roy aan te klagen bij de politie wegens het in dienst hebben van een minderjarig meisje.
Hoe het geschil afliep, is niet bekend. De teloorgang van de vesting had direct zijn effect op de prostitutie. Telde de stad rond 1850 nog zeven bordelen, anno 1900 waren dat er nog - afhankelijk van de onderzoeker - twee of drie. Dat had onder meer te maken met het zedelijkheidsoffensief dat eind negentiende eeuw op gang kwam vanuit - aanvankelijk - de gereformeerde burgerij in Nederland. Pornografie, homoseksualiteit en prostitutie dienden aan banden gelegd te worden. Ook het katholieke zuiden, dat van oudsher vrij tolerant stond tegenover prostitutie, ging onder invloed van geestelijkheid en burgerij overstag.
Katholieke politici als Ruys de Beerenbrouck hadden geen boodschap meer aan de uitspraak van kerkvader Thomas van Aquino ("Prostitutie is als de mestvaalt naast het paleis, zonder mestvaalt stinkt heel het paleis"). Mede op aandrang van Ruys ging de Maastrichtse raad in 1909 akkoord met een bordeelverbod. De gemeente, die in 1815 als eerste in Nederland een gemeentelijk prostitutiereglement met onder meer periodieke medische keuringen van de meisjes had afgekondigd met het oog op het gezond houden van het garnizoen, bezweek voor het zedelijkheidsoffensief. Het moraliseringsoffensief vond vooral zijn weerslag in de zedenwet van 1911 van de oorspronkelijk uit Maastricht afkomstige minister E.R. Regout. Er kwam een algemeen bordeelverbod in Nederland. De buitenlandse meisjes verdwenen uit Maastricht. Naar Aken of Luik. Het was ook de tijd dat de uitdrukking 'naar de kapper in Luik gaan' in zwang raakte.

Maastricht genoot eeuwenlang een grote faam als vestingstad.
De stadsmuren en de vaak ver vooruit geschoven verdedigingswerken maakten de stad tot een waar fort. In 1567 werd de weerbaarheid nog verhoogd, toen er op last van landvoogdes Margaretha van Parma een garnizoen werd gelegerd. Dit besluit zou, ook economisch gezien, grote gevolgen hebben voor de stad. Vanaf 1567 tot 1867, het jaar van de opheffing van de vesting, bleven honderden en somtijds zelfs duizenden soldaten binnen de stad gekazerneerd.
De soldaten, die het 'Bolwerk der Nederlanden' dienden te beschermen tegen vijandelijke troepen, zorgden niet alleen voor veiligheid, maar ook voor de nodige inkomsten. Zij lieten door de eeuwen heen bij menig neringdoende en middenstander de kassa aardig rinkelen.  Er waren echter twee bedrijfstakken die bovenmatig profiteerden van de aanwezigheid van het soldatenvolk, namelijk de kroegen en de zogenaamde 'publieke huizen', waar dames van lichte zeden hun diensten aanboden. Over twee van deze huizen in de negentiende eeuw handelt deze bijdrage. Een straat die op dat gebied een reputatie had hoog te houden, was de Helstraat, thans Sint-Bernardusstraat.
In 1865 werd daar het pand met het huidige nummer 31 bewoond door de weduwe Dumoulin en tien jonge dames, terwijl op nummer 39 een zekere Van Roy de 'publieke huishouding' voerde.
Ofschoon er in de Helstraat in die tijd nog andere dames van lichte zeden emplooi vonden, concentreren we ons op deze twee met naam genoemde 'huizen'.
Zoals onder concurrenten wel vaker het het geval was, bestond tussen beide 'ondernemingen' een grote rivaliteit en animositeit: de vraag was groot, het aanbod echter ook.
Op allerlei manieren trachtten de 'huizen' elkaar de klanten af te troggelen.
Daarbij deinsde men er niet voor terug om wilde verhalen over de concurrentie in de wereld te brengen of zelfs de politie in te schakelen. Zo klaagde de 'hoerenmadam' Dumoulin haar collega Van Roy aan bij de politie wegens het in dienst hebben van een minderjarig meisje. Van Roy verdedigt zich tegen deze beschuldiging in een brief aan de commissaris van politie.

De brief luidt letterlijk als volgt:

Maastricht, den 15 februari 1865
Aan den Weledelen Heer Commissaris van Politie
Wel Edelen Heer,

Wanneer men eenmaal in zijn karakter verkracht en in het belangen benadeeld is, tracht men zich in het vervolg hiervan vrij te waren en toch zijn er omstandigheden, welke door vijandelijke toedracht deze of geene verder benadeelen willen.
Nooit of nimmer ben ik oorzaak geweest, alhoewel in mijne betrekking van publieke huishouding, om de minste aanleiding gegeven te hebben tot stooren der rust van stad of den lande.
Zulks moet vooraf gezegd zijn en nu tot het daadzakelijke.
Het schijnt als zoude ik aangetigd wezen om een minderjarig meisje huisvesting te hebben verleend en wel volgens zeggen eene genoemde Kaatje Pepers, dat deze ongegronde aanklacht geschiedt zoude zijn door zekere E. Dumoulin, een mijner buurvrouwen, die zeker niet dulden kan dat een ander leeft.
In alle geval neem ik niet op mij derzelver bedoeling te schatten, alleen W.E. Heer laat ik de volgende denkwijze aan uw advies over.
Ik vraag dan, wie zoude wel in onze hoedanigheid van publieke huishouding minderjarige meisjes aanlokken ik danwel Madam E. Dumoulin, welke er regt voor uitkomt dat zij geen toezicht van politie schuwt, ten bewijze 3 door dit huis afgegeven adreskaartjes welke hierbij ingesloten zijn en die bij honderden konden verzameld worden.
Ik laat alzoo die valsche voorgevens ter uwer bedenking over en twijfel geentzins U.E. Heer of uwe onpartijdigheid en regtschapenheid zal ieder onbevooroordeeld gunst laten genieten.
Met de meeste hoogachting,



De in de brief vermelde adreskaartjes zijn nog bewaard gebleven.
Wat opvalt is dat het kaartje niet met zoveel woorden de 'bedrijfstak' vermeldt.
Een goede beschouwer ziet echter genoeg: een vrouw staat uitnodigend in een half geopende deur, terwijl achter de ramen duidelijk de hoofden van vrouwen zichtbaar zijn.
Zelfs in de sierlijke krullen rond de naam 'Maestricht' zijn symbolen verborgen die voor zich spreken!
Hoe het geschil tussen beide 'clubs' is afgelopen, is helaas niet bekend.
Zeker is echter dat de branche een gevoelige klap opliep door het Koninklijk Besluit van 29 mei 1867, waarbij de Vesting Maastricht werd opgeheven.
Naast de sloop van de vestingwerken betekende dit ook het verdwijnen van een groot gedeelte van het garnizoen.
En minder mannen betekende nu eenmaal minder werk.
De weduwe Dumoulin hield het datzelfde jaar reeds voor gezien en stopte haar nering, maar Van Roy ging door: tussen 1860 en 1880 was hij de werkgever van 65 publieke vrouwen.

De naam Helstraat riep nog lange tijd associaties op met meisjes van plezier en was synoniem voor zedeloos tijdsverdrijf.
Wellicht was dit de reden waarom het stadsbestuur in 1926 de naam wijzigde in Sint-Bernardusstraat.
Zo klaarde burgemeester Van Oppen een klus die tot dan toe zelfs voor God onmogelijk was: met één hamerslag veranderde hij de Hel in de Hemel, althans op papier. Voor menigeen zal de Helstraat ook voordien een oord zijn geweest zijn geweest van hemelse geneugten!

"Het verhaal van Roeje Tina"

"Straf op "Hoererij"

Zie op Visitekaartje van huize Dumoulin, rue de l'Enfer (Franse benaming voor de Helstraat).Een vrouw staat uitnodigend in de deur.
Bron:Site Helletocht, Archiefsprokkels RHCL,Mestreech Online. Tekening militairen en prostitué, Tekening Romeinse prostitué

. Gemeente Maastricht, Chapeau Magazine, Opera Comique Maastricht, De Limburger, Foto 1 site Openbaar Ministerie, Foto 2 site Powervrouwen

 Aonvaank