Kalkmergelmaatschappij

St.Pietersberg

 

Onderstaande pagina is overgenomen van de site Industriespoor en is samengesteld door dhr. Kolkman.

De Kalkmergelmaatschappij Sint Pietersberg

De mergel van de Sint Pietersberg aan de zuidkant van Maastricht werd eeuwen door “blokbrekers” gewonnen, waardoor uitgebreide gangstelsels ontstonden. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Nederland afgesloten van de aanvoer van mergel en het daaruit vervaardigde cement uit België. Dit stimuleerde het afgraven van de Sint Pietersberg door enkele bedrijven. De ENCI (Eerste Nederlandse Cement Industrie) en haar voorlopers deden dit aan de oostkant, dus aan de kant van de Maas. Die ligging was zeer voordelig in verband met de afvoer per schip via het toen nog langs de Maas lopende Kanaal Maastricht-Luik.

Minder bekend is dat de “Kalkmergelmaatschappij St-Pietersberg” in 1916 aan de westkant (dus in het Jekerdal) met dagbouw begon. Thans is op deze plaats aan de Mergelweg de speeltuin de “Merregelhoof ” gevestigd. De maatschappij was geen directe concurrent van de ENCI. Die produceerde immers cement, terwijl de mergel van de Kalkmergelmaatschappij St-Pietersberg werd gebruikt voor de productie van kunstmest en kalk. Hoewel de ENCI en de Kalkmergelmaatschappij St-Pietersberg niets met elkaar te maken hadden, wordt in het jubileumboek van de ENCI aandacht besteed aan de Kalkmergelmaatschappij St-Pietersberg. Het smalspoor van de Kalkmergelmaatschappij St-Pietersberg was bijzonder vanwege de tunnel door de St-Pietersberg. Een deel van de informatie hieronder is afkomstig uit dit jubileumboek.

Transport

Door het Jekerdal liep sinds 1894 de NMVB tramlijn tussen Glons en Maastricht. De groeve van de Kalkmergelmaatschappij St-Pietersberg lag aan de andere kant van de Jeker en had – voor zover bekend – geen tramaansluiting. Er werden spectaculaire oplossingen voor de afvoer van de mergel bedacht. Vanaf 1919 was er een kabelbaan over de Sint Pietersberg tussen de groeve aan de westkant en aan de oostkant de maalinrichting (de “molen”) en de overslagplaats aan het kanaal Maastricht-Luik.

 

Aan de kant van het Jekerdal lag de kabelbaan in een ingraving. De kabelbaan was niet uniek: de aan de IJssel nabij Terwolde (Gelderland) gelegen steenfabriek De Vooruitgang kreeg in 1910 toestemming van de gemeente Voorst om klei te winnen uit een binnendijks gebied waardoor het huidige natuurgebied de Meintjes zou ontstaan. Het transport ging per “luchtspoor. De in 1929 gesloten Nederlandsche Portland-Cementfabriek in Vijlen had na 1904 een 180 meter lange kabelbaan en ook een 150 meter lange tunnel voor smalspoor.

De kabelbaan over de Sint Pietersberg vergde veel en duur onderhoud en was niet bewaakt.  Onverlaten konden ongemerkt en gemakkelijk de (aan houten jukken opgehangen) kabelbaan saboteren. De volgende oplossing voor het transportprobleem was een 650 meter lange smalspoortunnel dwars door de Sint Pietersberg. Ir. D. C. van Schaïk, die ook aan de wieg van de kabelbaan had gestaan, kreeg opdracht een tunnel te ontwerpen. Hij onderzocht hiertoe de bestaande gangenstelsels en vestigde mede hiermee naam als grottendeskundige. Tegenwoordig spreekt men over de Van Schaïktunnel.

 

Er is jaren aan de tunnel gebouwd. De oostelijke ingang kwam in een flauwe helling, waar de mergel niet aan de oppervlakte kwam. Het tunnelgedeelte door de deklagen en ook dat door het instortingsgebied werd in gewapend beton uitgevoerd. De foto hierboven toont het nog bestaande oostelijke ingangsportaal met daarop het jaartal 1928. Bovenin zijn elektrische leidingen opgehangen. Er was elektrische verlichting in de tunnel en er liepen telefoonleidingen. Er was geen kunstmatige ventilatie, maar er was wel natuurlijke trek. De tunnelingang kon met deuren worden afgesloten.

Een groot probleem was dat de gangen in de omgeving van het fort Sint Pieter in 1809 spontaan waren ingestort.

 

Nevenstaand artikel uit de Krant Het Vaderland van 21 oktober 1930

toont dat de tunnel indertijd de aandacht trok. De journalist maakte

– samen met andere verslaggevers - een reis langs Limburgse bedrijven

op uitnodiging van de Kamer van Koophandel.

 

Het fragment hierboven uit wikimapia toont het bochtige karakter van de Van Schaïk-tunnel (geel). De westelijke (= linker) ingang ligt direct in de groeve, maar is niet meer toegankelijk wegens instortingsgevaar.

 

De oostelijke ingang wordt nog steeds gebruikt, voor rondleidingen en door een champignonkweker. Na het verlaten van de oostelijke ingang reden de mergeltreinen nog ~ 250 meter tot de “molen”. De helling op dit bovengrondse stuk was fors, namelijk ongeveer 4%.

 

Vanaf de molen liep een lopende band naar de overslaginstallatie aan het Kanaal Maastricht-Luik. Ter plekke van het kanaal ligt nu een weg. De ENCI groeve begint net onder de onderrand van de foto.

In juni 1929 werd vanuit de oostzijde de mergel bereikt. Er werd ook vanuit de steile westhelling –dat is vanuit de groeve– gewerkt. Daar lag de tunnelingang in het vaste gesteente.

 

Met de hand werd eerst een nauwe gang in het mergelgesteente uitgehouwen. Deze gang werd ongeveer één meter breed en twee meter hoog. Naderhand werd deze gang verbreed, zodat men gebruik kon maken van houten stutten, ongeveer op dezelfde wijze waarop mijngangen gestut worden. In dit stadium kon men al een smalspoor in de tunnel aanleggen om het verwerkte materiaal sneller af te voeren

 

(zie de foto rechts).

 

 

Nao Bove

Links:

In januari 1930 kon men voor het eerst sinds één en een kwart eeuw weer van west naar oost door de Sint Pietersberg.  Toen resteerde het vergroten van de tunnel naar het gewenste profiel. Op de ideale plaatsen was het uiteindelijke profiel van de tunnel een halve ellips van vier en een halve meter breed en drie meter hoog. Om het gebied met ingestorte oude gangen te vermijden was onder dit gebied door gegraven. Bij het verruimen van het beginprofiel brak men op veel plaatsen door de vloeren van ingestorte gangen heen, zodat de tunnel plaatselijk veel hoger werd. 

 

Zie de foto links, die ook laat zien dat het tracé niet recht was en dat er enkelspoor lag. De vrouw links is een dochter van D. C. van Schaïk. Op de achtergrond is de betontunnel zichtbaar, welke onder de ingestorte gangen doorliep. Op regelmatige afstanden hangen lampen.

 

Bij een fotoreportage in het Nationaal Archief over het opbergen van kunstschatten tijdens de Tweede Wereldoorlog (waarover later meer) wordt gezegd dat de Van Schaïk tunnel in 1932 is gereedgekomen.

 

Rechts:

Dan het bedrijf. De foto rechts uit 1935 toont de steile wand van de groeve met de westelijke tunnelingang.

Daarvoor staat een trein, bestaande uit de loc met veertien beladen kipwagens. Op de derde en achterste kipwagen staan remmers, vanwege de al genoemde helling van 4% aan de andere kant van de Sint Pietersberg.

 

 

De loc is op de foto links beter te zien.

Volgens de leverlijst van Ruhrthaler is fabrieksnummer 1014 van het type 20DML/S2 voor 600 mm spoorwijdte in 1929 aan de Kalkmergel Maatschappij in Maastricht geleverd. Hoewel op de originele foto te zien is dat op de zijkant van de motorkap o.a. “Loc 1” staat (wat suggereert dat er meer locs waren) lijkt het zeker dat genoemde Ruhrthaler op de foto linksboven staat, want volgens een ooggetuige was er maar één locomotief, met nauwelijks voldoende vermogen. In de type-aanduiding slaat 20 op het aantal pk’s, S op mechanische transmissie en 2 op het aantal cilinders. De loc had een gloeikopmotor. Omdat starten lang duurde, liet men de motor de hele dag draaien.

 

De foto is uit 1930; de loc is dus ook bij de tunnelbouw gebruikt. Het betreft overigens geen mijn- , maar een Feldbahn uitvoering. In de loc zit bedrijfsingenieur Wylezalek.

Er lagen deels twee sporen in de tunnel, het doorgaande spoor en een “rangeerspoor” dat gebruikt werd om een set volle wagen en een set lege wagens te verwisselen.

 

 

 

 

Deze foto rechts is – zoals die linksboven – genomen bij de oostelijke tunnelingang, maar dan in 1932. De tunnel is net in bedrijf. Met wat moeite is ook remmer te zien. De loc trekt 6 of 7 kipkarren.

De deklagen zijn goed zichtbaar. De afstand door de tunnel van deze ingang tot het mergelgesteente is ongeveer 100 meter. De tunnelwand is over dit gedeelte van beton. Dan volgt ~ 80 meter door vaste mergel en slechts ~ 70 meter door bestaande mergelgangen. Vanaf de westkant kon men ~ 100 meter door vaste mergel zagen en hakken. Het middengebied van ~ 300 meter is het instortingsgebied. De totale lengte van de tunnel is dus ~ 650 meter.

 

 

 

 

 

Het spoor eindigde bij de “molen”, dat wil zeggen de zeef- en mergelbreek/ maalinrichtingen.

De heuvel rechtsboven op de foto lijkt kunstmatig opgeworpen te zijn. Met enige moeite zijn bovenop de heuvel twee mannen te zien die een kipwagen legen. De zeef- en mergelbreek/maalinrichtingen bevonden zich in de kunstmatige heuvel.

Via een transportband ging de mergel naar de overslaginstallatie (links op de foto) aan het Kanaal Maastricht-Luik. Uit andere foto’s blijkt dat deze installatie er nog niet was in de tijd van de kabelbaan en dat de transportband later (dan het tijdstip waarop deze foto is genomen) in een houten koker liep.

Op deze foto uit de collectie van Martin Hoogerwerf staat de fotograaf op de kunstmatige heuvel van de vorige foto en kijkt in de richting van het Kanaal (de bomenrij op de achtergrond staat langs de andere oever). Het spoor loopt kennelijk rond, om het huisje heen. De interpretatie kan als volgt zijn: een trein arriveert met de loc voorop (dat is zijde Kanaal). De wagens worden losgekoppeld en de loc begeeft zich via de twee wissels naar het parallelspoor. De kipwagens worden stuk voor stuk met handkracht door de boog geduwd, achter het huisje gekipt en tenslotte tegen de loc geduwd.

De inhoud van de kipwagens lijkt nogal zwart. Mogelijk is het grond afkomstig van de graafwerkzaamheden voor de tunnel.

De enige loc werd al in 1940 door de Duitsers in beslag genomen. Het is niet bekend wat ermee gebeurd is.Bij gebrek aan tractie werd het smalspoor opgebroken en werd de mergel met een vrachtwagen door de tunnel gereden, maar dat was afgelopen toen er geen brandstof meer te krijgen was.

Over de Van Schaïk-tunnel is relatief veel te vinden. Dat ligt niet zo zeer aan de oorspronkelijke functie van de tunnel, maar aan het feit dat vanaf 1941vanuit de oostelijke ingang een “kluis” werd gebouwd. Hierin werd van maart 1942 tot juni 1945 een belangrijk gedeelte van de Nederlandse kunstschatten (waaronder De Nachtwacht) ondergebracht. Ook bij de bouw van de kluis was ir. D.C. Van Schaïk betrokken (als adviseur). De kluis ligt zijdelings van de tunnel op circa 200 meter vanaf de oostelijke tunnelingang. Ter beveiliging werden onder andere in de nabijheid van de toegang tot de Kluis twee ijzeren hekken in de tunnel geplaatst.

De groeve bleef nog tot 1962 in exploitatie. In 1950 genomen foto’s van de Arbeidsinspectie in het Nationaal Archief tonen een dragline en een vrachtwagen. De Kröhnke fabriekslijst  vermeldt een Lorenknecht van 8 pk met fabrieksnummer 234 die begin 1953 via O&K in Amsterdam werd geleverd aan de Kalkmergelmaatschappij St-Pietersberg. De Lorenknecht zal alleen in de groeve zijn gebruikt, want het smalspoor keerde niet meer in de tunnel terug. De tunnel werd alleen nog door vrachtauto’s gebruikt.

Ondertussen was de Nederlandsche Kalk- en Mergel Industrie (Nekami) middels een overeenkomst met de Kalkmergel Mij. “St. Pietersberg” sinds 1938 ook actief in de mergelgroeve. Men bouwde op het groeveterrein een kalkoven. Beide ondernemingen waren (naast elkaar) dus actief als mergel-/kalkexploitant. Daarnaast exploiteerde de Nekami sinds 1938 ook een groeve ’t Rooth bij Bemelen, op grond die eigendom was van de firma Diederen. Deze groeve wordt nu door Ankerpoort geëxploiteerd.

Nao Bove

Op 29 december 2009 fotografeerde Jan Roos de de oostelijke tunnelingang. Ten opzichte van de toestand op de zwart-wit foto’s van meer dan 70 jaar geleden is er weinig veranderd, met uitzondering van het opvallende aantal van drie (!) bordjes van Monumentenzorg. Ook is de doorgang versmald door gemetselde muurtjes.

 

 

 

Op 12 oktober 2011 fotografeerde Jan Roos de de westelijke tunnelingang. De ligging daarvan is te zien op de foto.

 

Hier links de speeltuin de Merregelhoof met op de achtergrond de steile wanden van de voormalige groeve van de Kalkmergelmaatschappij St-Pietersberg en de westelijke ingang van de tunnel.

Samenvatting:

Van het traject van het smalspoor van de Kalkmergelmaatschappij St-Pietersberg van ruim een kilometer lag meer dan de helft in een tunnel door de St-Pietersberg. De aanleg was een opmerkelijke prestatie en duurde vier jaar (1928-1932). Vervolgens is de -nog steeds bestaande- tunnel slechts acht jaar voor smalspoor in gebruik geweest (1932-1940). Er werd een Ruhrthaler dieselloc gebruikt. Na WO II is de mergelgroeve nog tot 1962 in exploitatie geweest en is er (alleen in de groeve) een Kröhnke Lorenknecht gebruikt.

 

 

 

Nao Bove

Bronnen: A. Nieste; “Van mergel tot cement: 70 jaar ENCI 1926-1996”. P. J. Felder; “Over cement, cementfabrieken in Limburg en speciaal de cementfabrieken in Vijlen”; Nederlandse Geologische Vereniging, afdeling Limburg, 2006. gesprek met ing. W. C. L. van Schaïk, zoon van ir. D.C. van Schaïk, 11 januari 2010. informatie van Jan Roos (bezichtiging ter plekke, eind 2009). E. Werkman; “Nederland bouwt tunnels”; Holdert, Amsterdam, 1946. Kröhnke en Ruhrthaler leverlijsten; zie jensmerte resp. de CD “100 Jahre Ruhrthaler Maschinenfabrik” van Jens Merte en Martin Schiffmann. informatie van Martin Hoogerwerf. boek van Henk Sluijters. Werkgroep Oud Sint Pieter; “Sint Pieter in oude ansichten”; Europese Bibliotheek, Zaltbommel. 1991. Opmerking: Sint Pieter was tot 1920 een aparte gemeente. G.J.M. Jägers en Annelies Abelmann; “ Het Maastricht Boek”; Regionaal Historisch Centrum Limburg, 2007. Site http://www.stichtingrrb.nl/images/kluis.pdf van de website Regeling Recreatief Berglopen, industriespoor mergelgroeven

 Aonvaank