Regels Nachwag Wilre (Wolder) 1793

(Regels Nachtwachten 1793)

 

Hoe men in Wolder in de 18e eeuw over nachtelijke rust en veiligheid waakte.

Uit het reglement van de nachtwacht van de Vroenhof, gedateerd 7 november 1793, dat zich bevindt in de gerechtelijke archieven van het graafschap Vroenhof, krijgen we een aardige kijk op het toenmalige nachtleven in Wolder. Wij ontlenen hieraan het volgende: 

Art.1: De door de nachtwake opgeroepen personen uit Wilre (Wolder), Montenaken, en Heukelom moesten zich klokke 8 uur, voorzien van een geweer of een ander weerbaar instrument melden bij hun Dorpsmeester (burgemeester). Onder geleide van de schout aangewezen korporaal begaven zij zich naar het wachthuis.

Art.2: Degene die geen gehoor gaf aan de oproep kreeg een boete van 4 schillingen. Bovendien moest hij aan de volgende nachtwake deelnemen, op verbeurte van een dubbele amende (boete) off andere civiele correctie.

Art.3: Niemand, die hiervoor geen vrijstelling had mocht zich, onder welk voorwendsel dan ook, aan de 'nagtwake' onttrekke. Bezwaren hiertegen moesten worden ingediend bij de schout, de officier deser plaetsjes. De nachtwakers moesten minstens 16 en ten hoogste 60 jar oud zijn.

Art.4: Vrouwen kwamen hiervoor niet in aanmerking. Zij mochten de voor de nachtwacht opgeroepen personen, man, zoon of knecht, niet beletten aan de oproep gehoor te geven. 

Art.5: Om beurten moest de helft van de nachtwacht in en om het dorp patrouilleren, terwijl de andere helft in het wachthuis verbleef. De voor het wachthuis geplaatste schildwacht moest waarschuwen wat buyten omgaet. De patrouille moest iedereen, die zij op hun weg tegenkwamen, naar zijn naam en de reden van zijn aanwezigheid vragen.

Art.6: "Wanneer de patrouille eenige desorde, rumoer off rusie ontwaer werde, sal deselve de daders daeraf vatten en naer het wagthuys brengen, alwaer sy sullen verblijven tot daeraff kennis is gegeven aen den dorpsmeester der plaetse. de welke na examinatie off het vreemde persoonen zijn, dan wel ingeseetenen". Laatsgenoemden liet men, nadat hun namen waren genoteerd lopen. Vreemdelingen werden vastgehouden. De schout moest hiervan in kennis worden gebracht. 

Art.7: Indien de patrouille meer dan drie personen tesamen aantreft moeten deselve van hun vernemen de reede van hunne samenrottinge. Verdachte personen moesten voor onderzoek naar de wacht worden gebracht.

Art.8: Indien de patrouille bevond dat er geweld was gepleegd of desordres plaats hadden, moest zij geweld met geweld keeren. Indien zij niet tegen de overmacht op konden, moesten zij door blazen op de hoorn alarm geven. De wachters waren overigens verplicht altijd een hoorn bij zich te hebben. 

Art.9: Als de hoorn klinkt moest de wacht de alarmklok luiden. 

Art.10: "Op dit 'alarm' moet eenieder voor zijn raam een licht plaetsen en uyt ieder huys moet zich een man naar het kerckhof begeven". Vandaar moesten zij naar de plaats gaan, waar hulp moest worden geboden. 

Art.11: "Wanneer in een nabuurig dorp alarm geklept wordt, moet dit ook in het andere geschieden".

Art.12: Tussen n november en n februari mocht zich niemand na 9 uur zonder lantaarn op straat bevinden, op straffe van te worden aangehouden en een boete van drie schillingen te verbeuren.

Art.13: "De wagt en patrouille sullen zig onthouden van eenig geschreeuw en getier op straet te maken, maar integendeel in alle mogelijke stilte omgaen, op eenenamende van drie schillinge tegen iedere contraventeur (overtreder), welke boete meede sullen incurreeren (oplopen) alle diegene, welke eenig geraes of getier, hetzij door joegelen of andersints sullen maken, sullende deselve daerenboven nog door de patrouille worden aangehouden en in de wagt gebragt, alwaer sy tot verdere straf sullen moeten blijven soolang de wagt sal duuren".

Art.14: "Er sal niet op de hoorn worden geblaesen off eenig signaal worden gegeven, dan in geval van alarm en assistentie noodig is".

Art.15: Na het aftreden van de wacht moest de korporaal aan de dorpsmeester rapport uitbrengen. Deze moest belangrijke voorvallen onmiddellijk aan de schout melden. 

Art.16: De nachtwacht duurde tot 's morgens vijf uur. Degene die zich vr die tijd verwijderd moest een boete van drie schillingen betalen. indien de korporaal verzuimde hiervan aangifte te doen moest hijzelf deze boete betalen.

Een voorval:

In de nacht van 11 op 12 december 1776 waren op de wacht gecommandeerd voor nachtelijke patrouilledienst Joannes Paulussen, oud 45 jaar, als knecht werkzaam op de boerderij van zijn ouders, Paulus Nelissen, oud 17 jaar, eveneens bij zijn ouders werkzaam, Simon Hermans, knecht bij Joris Jorissen en Reimer Ruyters, knecht bij de weduwe Ceulen, allen wonend te Wilre (Wolder). Nadat zij met z'n vieren de eerste ronde hadden gedaan, waren ze om zich wat op te warmen bij de dorpsmeester(burgemeester) van Wilre (Wolder), die tevens een herberg exploiteerde, een glas bier gaan drinken. Tussen 12 en 1 uur waren ze weer op pad gegaan. Hermans was vooruit gelopen. Hij zei dat hij bij Agnes Wints, weduwe van Bastiaens, die als naaister en wasvrouw werkzaam was, ging vragen of zijn kiel klaar was. Toen de drie andere aan het huis van de weduwe Bastiaens waren gekomen wilden ze hun kameraad daar ophalen. op hun kloppen werd niet opengedaan. Eerst na herhaald en langdurig kloppen had de vrouw de deur geopend. Dit was zeker niet naar de zin van Hermans, want hij gaf haar een paar flinke klappen. Toen de andere tussenbeide wilden komen begon Hermans ook hen af te ranselen. Paulussen greep Hermans bij de haren en gooide hem op de grond, waarna Nelissen hem een paar malen met een stok sloeg. Volgens een verklaring van de chirurgijn, die Hermans daarna behandelde, had deze een ernstige hoofdwonde opgelopen.

Tenslotte was Ruyters tussenbeide gekomen, terwijl hij uitriep "Scheyt uit".  Hermans weigerde met de anderen mee op patrouille te gaan en ging terug naar huis. Paulussen, Nelissen en Hermans werden veroordeeld tot betalen van een boete van 50 gulden. Holl. of 80 gulden stadskoers en de gerechtskosten. Bovendien moesten de eerstgenoemden de kosten van de geneeskundige behandeling aan Hermans vergoeden. Volgens het vonnis van 31 december 1776 mochten de gedetineerden in vrijheid worden gesteld na betaling van een cautiesom. Dit geval had voor de cipier Andr Turnau nog een nasleep. Hij kreeg een flinke uitbrander, omdat hij de gedetineerden had vrij gelaten, voordat zij de vereiste cautie hadden betaald. Hij werd verantwoordelijk gesteld voor alle eventueel voor het gerecht ontstane schade. Hij moest tevens de kosten van de buitengewone gerechtszitting betalen.

Naor Bove

 Bron: Boekje Van Wilre tot Wolder Jef Leunissen, tekening 18e eeuwse rechtbank DBNL. tegels Website Groene hart Vertellingen

Aonvaank