Bloodbak

(Bloedbak)

 

Bloodbak:

De bloedbak, ja wat een titel, wat kun je hierover vertellen, ik wist wel van het bestaan ervan maar eerlijk gezegd wist ik niet waar de benaming vandaan kwam, ik ging ervan uit omdat de 'bak' bij het pesthuis lag deze er wel mee te maken had gehad, maar helaas wat ik niet wist is dat er vroeger in de 20er jaren het slachthuis van Maastricht lag. De bloedbak is hier links op de foto te zien.

 

Links beneden situatieschets, rechts de bak vanuit een andere gezichtspunt.

De "Bloodbak"
Tijdens de Franse overheersing werd het om hygiënische redenen verboden vee in de stad te slachten.
In 1824 verscheen er bij de Helpoort op de plaats waar voorheen het pesthuis – niet te verwarren met de oude papiermolen 'de Ancker' die ten onrechte vaak het pesthuis genoemd wordt – gestaan had een nieuw slachthuis.
Niet voor niets bij de Jeker, die kon dienen als afvoer van het afval van de slachterij naar de Maas.
Kadavers die stroomafwaarts in de Maas aangetroffen werden, bleken al eens afkomstig van het slachthuis te zijn.
In 1850 bij de aanleg van het kanaal Maastricht – Luik verdween de open verbinding van de Jeker en de Maas.
Het gevolg was dat in de bak vóór de duiker die het Jekerwater onder het kanaal door voerde, alles bleef hangen en het water vaak rood gekleurd was van het bloed van de geslachte dieren.
De Maastrichtenaren noemde het al snel de "Bloodbak", een naam die nog gebezigd werd tot aan de demping van het kanaal. Het slachthuis was toen al meer dan zestig jaar weg.

Openbaar slachthuis

Vijftig jaar na het ontstaan van het slachthuis bij de Helpoort waren de klachten over onhygiënische toestanden en stankoverlast zo groot dat er al gedacht werd aan een nieuw slachthuis aan de rand van de stad.
Het zou nog tot 1901 duren voor dat er kwam.
Op 15 december 1901 werd op de Fransensingel het modernste slachthuis van Nederland geopend.
De spekslagers waren er in aanvang niet blij mee.
Het was vanaf nu afgelopen met het thuis slachten van varkens.
Bij oude slagerspanden zie je aan de voorkant vaak nog ijzeren ringen in de muur waar het varken de dag vóór de slachting aan bevestigd werd.
Het aantal slachtingen in het nieuwe slachthuis liep al snel tot in tienduizenden per jaar.
Een piek werd bereikt in 1930 toen er 39.000 slachtingen waren.
Een dieptepunt was er aan het einde van de Tweede Wereldoorlog: 6.000.
In 1950 waren het er weer 25.000.

Naor Bove

BLINDEN, BLINDGANGERS EN EEN BLOEDBAK

Rob Kamps

In het gedempte kanaal Luik-Maastricht, ter hoogte van de Helpoort, lag van 1963 tot medio 1975 op een diepte van ongeveer 1,75 meter een blindganger begraven in de grindbedding. Hubeer Mensis, een grondwerker die in 1963 betrokken was bij de dempingswerkzaamheden aan het kanaal, stapte in juli 1975 naar de krant met het verhaal dat die bom daar opzettelijk was begraven. Het niet-ontplofte projectiel lag pal naast de Bloedbak, een aquaduct dat bij de kanaalbouw in 1849 wegens puur gebrek aan ruimte over de rivier de Jeker gelegd was. De Jeker dook ter plekke letterlijk onder deze muur door middels twee sifons, maakte een hoek van 90 graden en kabbelde vervolgens in een kunstmatige bedding parallel aan de verstilde vaarweg naar de Maas. Het ronduit lelijke kunstwerk dankte haar onfrisse naam aan het voormalige slachthuis voorbij de Helpoort dat haar afval bij gebrek aan een riolering letterlijk op de Jeker loosde. Het water kleurde hier rood van het bloed, maar ook ingewanden kwamen erin terecht. Bovendien gooiden niet alleen onze zuiderburen rommel van allerlei aard in de Jeker. De doorsnee van de doorlaatbuizen onder het kanaal was beperkt; ze raakten met regelmaat verstopt door speelgoed, kinderwagens, matrassen, kartonnen dozen, menselijke nageboorten, honden- en kattenkadavers en zelfs dode varkens. Het stonk er bijgevolg geweldig naar de dood. Het slachthuis zelf was al in 1901 vanuit het oogpunt van volksgezondheid naar de Fransensingel in Boschpoort verplaatst. De naam Bloedbak bleef echter behouden; de rommel en de stank eveneens. Iedere Maastrichtenaar van de oudere generatie kent nog steeds de naam. 

Een historie van trieste voorvallen:

Het aquaduct kende een historie van trieste voorvallen.

Op woensdag 24 oktober 1956 om tien uur 's avonds verdronken twee blinde mannen vlakbij de gemetselde bak. Zij waren afkomstig uit het blindentehuis Licht en Liefde in Maastricht. Daar waar de het hek langs het kanaal ophield en de afrastering langs de Bloedbak begon, bevond zich een opening van anderhalve meter. Twee mannen vielen erin, maar voorbijkomende militairen wisten de slachtoffers op de kant te brengen. Mond-op-mondbeademing mocht echter niet meer baten.

Verdrinkingsdoden in 1962:

Met enige regelmaat werden rottende kadavers uit de Bloedbak verwijderd, maar vaker werd grof huisvuil dat voo de doorlaat bleef steken met lange stokken in de openingen geduwd door onderaannemers van Rijkswaterstaat. In het najaar van 1962 eiste die handeling een mensenleven. Balancerend op de smalle randen aan de voet van de Bloedbak om het vuil in de opening te krijgen, verloor een man zijn evenwicht,  verdween met het vieze water in een van de buizen en verdronk jammerlijk. De verdrinkingsdood bij de Bloedbak vond plaats aan de vooravond van de demping. De oude vaarweg had al decennia eerder afgedaan als scheepvaartverbinding, maar toestemming om het kanaal dicht te gooien moest uit Brussel komen. De Belgen hadden de aanleg immers betaald en waren dus formeel eigenaar. Brussel gaf in 1961 haar goedkeuring. Op woensdag 4 oktober 1962 maakte de gemeente Maastricht bekend dat het kanaal in de binnenstad ging verdwijnen. Op maandag de 8ste zouden de werkzaamheden beginnen. Willem Rossen, een bakschipper uit Heijen in Noord-Limburg, zei dat het ongeval met de man bij de Bloedbak plaatsvond op het moment dat hij met iemand van Rijkswaterstaat en een uitvoerder van het baggerbedrijf langs het kanaal liep. Vanwege de vroeg invallende en zeer strenge vorst vanaf 21 november werden de werkzaamheden in de kiem gesmoord. Het lukte nog de bodem van de vaart schoon te maken. Het storten van grind moest worden uitgesteld.

Willem Rossen was zelf het volgende slachtoffer. Op 20 september 1962 zou het kanaalpand tussen de sluis bij de Sint Servaasbrug en de ophaalbrug bij de Bonne Femme van afval worden ontdaan. Daartoe had men bij de cementfabrikant ENCI een pomp geleend die met een kraan op de bak van een vrachtauto was gezet. Bij het uittakelen van de pomp op de plaats van bestemming bleek de ophaalbrug door jarenlang onbruik in zo'n slechte staat te verkeren, dat het de krachten niet aankon. Het kamwiel ging draaien als een tierelier met een breuk tot gevolg. De beide kettingen braken en de brug ging rechtop staan. Een wegschietend stuk ijzer raakte Rossen tegen het hoofd. Hij ging onderuit en werd met een lichte hersenschudding en in shocktoestand wakker in het ziekenhuis Sint Annadal.

Ongeveer acht weken later, op 8 november 1962, sloeg het noodlot voor Rossen opnieuw toe. Hij was inmiddels hersteld en op bezoek bij familie aan boord van hun woonark. Het schip lag afgemeerd aan de Hoge Kanaaldijk, even voorbij de draaibrug ter hoogte van het nog steeds bestaande cafe Bel Air. Rudie, het driejarige neefje van Rossen, was op het dek aan het spelen. Een kameraadje kwam vertellen dat de jongen overboord gevallen was. Met enkele in de buurt zijnde schippers werd met behulp van haken het water vergeefs afgetast. Rossen sprong in het kanaal en zocht het kind op de tast in het troebele water. Pas bij de derde poging had hij beet. Mondop- mondbeademing werd toegepast. In het ziekenhuis Sint Annadal hebben artsen nog geruime tijd vergeefs geprobeerd het knaapje te reanimeren. Hij werd op het kerkhof van Sint Pieter begraven.

Nog meer slachtoffers:

Rossen vertelde over nog een incident. Twee medewerkers van het baggerbedrijf liepen langs het kanaal voor een achteruitrijdende vrachtauto van de firma uit om het naderend verkeer te attenderen op de gevaarlijke situatie. Plots kwam er uit een van de zijstraten een jongen in volle vaart op de fiets aanrijden. De twee mannen maakten drukke gebaren ten teken dat hij moest afremmen, maar de knaap sloeg toch tegen de laadbak. De schade leek beperkt; hij ging zitten en maakte nog een praatje. Uit voorzorg werd er toch een ziekenauto gebeld. In het ziekenhuis werd de dood geconstateerd .... 

Blindganger begraven:

De vroeg invallende en zeer strenge winter van 1962-'63 maakte een voortijdig einde aan de werkzaamheden. Het kwik daalde tot ver onder nul met als absoluut dieptepunt een ijzige -20,8° C in januari 1963. Eind maart 1963 trad eindelijk de dooi in en op maandag 1 april voeren de eerste bakschepen het kanaal op. En passant maakten de dempers geschiedenis toen zij op de resten van de Romeinse brug stuitten, al wordt de verwijzing naar hen en het kanaal in dit kader nog zelden genoemd. Het dempen had nu een redelijk vlot verloop. Op 24 april had men de sluis bij de Sint Servaasbrug bereikt en medio juni waren de mannen bij de Bloedbak aangekomen. De vrachtauto's reden lading en met grind af en aan.

Op een niet nader genoemde datum in die maand ontdekte grondwerker Hubeer Mensis de blindganger van ongeveer 40 centimeter lengte tussen het grind op de laadbak van een vrachtauto. De chauffeur stond op het punt om de lading in het water te kiepen. Deze bom was hoogstwaarschijnlijk afgeworpen tijdens een van de Britse luchtaanvallen van 11 en 12 mei 1940 op de noodbrug die de Duitsers hadden aangelegd nadat de Maastrichtse genie de stalen overspanning van de Sint Servaasbrug een dag eerder had opgeblazen in een poging de vijandelijke opmars te stuiten. De Britse aanval werd door de Duitsers afgeslagen. 23 jaar later stonden Hubeer en de niet nader genoemde chauffeur ineens oog in oog met het niet-ontplofte projectiel. Samen waarschuwden ze de uitvoerder. Deze trok zijn schouders op en liep op de vrachtwagen af. Terwijl Hubeer en de chauffeur dekking zochten achter de dikke walmuur van de Helpoort, klom de voorman op de laadbak, gooide de bom in het water en gelastte de chauffeur er zijn lading grind overheen te storten.

Enkele weken eerder was ook al soortgelijk oorlogstuig ontdekt in het stortgrind. Toen was de Hulpverleningsdienst (HVD) van Binnenlandse Zaken gewaarschuwd. Deze was naar Maastricht afgereisd en had de bom onschadelijk gemaakt. De HVD is in 1971 opgegaan in de Explosieven Opruimings Dienst en daarbij is helaas al het archiefmateriaal verloren gegaan. Het onschadelijk maken van die bom had enig oponthoud gegeven; vandaar waarschijnlijk dat de uitvoerder liet doorwerken. Helaas bestaan de dagrapporten van de kanaaldemping ook niet meer en valt die eerdere datum dus niet meer te achterhalen. Krantenberichten dienaangaande werden evenmin gevonden. Navraag bij de Explosieven Opruimings Dienst in Culemborg leverde niets op.

Op 12 juni 1963 werden met dynamietstaven twee bressen geslagen in de beide muren van de Bloedbak. Het water liep via die openingen in de daaronder stromende Jeker naar de Maas. Enkele dagen later was het kanaal nagenoeg drooggevallen. De nog resterende poelen werden met grind dat vanaf de rijweg was aangevoerd dichtgegooid. De deklaag werd geegaliseerd en het voormalige kanaal ging dienst doen als gemeentelijke parkeerplaats. De Bloedbak werd met een stalen kogel stukgeslagen.

Toch nog ruiming van bom:

Hubeer Mensis was in 1975 inmiddels bejaard. In juli van dat jaar las hij in de krant berichten over de bouw van een ondergrondse parkeergarage ter hoogte van de Onze Lieve Vrouwewal. Hij besefte dat jongere collega's gevaar konden lopen indien ze op zijn bom zouden stoten en besloot zich met de aannemer in verbinding te stellen. Deze nam vervolgens contact op met de toenmalige Maastrichtse wethouder van Openbare Werken, die op zijn beurt de gemeentepolitie vroeg een onderzoek in te stellen. Het gezag benaderde Mensis die toen andermaal zijn verhaal moest vertellen. Men slaagde er ook in de chauffeur van de vrachtwagen op te sporen. Na enige aandrang vertelde hij hetzelfde relaas en bevestigde daarmee de versie van Mensis. Beide mannen hadden zo lang hun mond gehouden omdat zij ervan overtuigd waren dat de bom toch geen kwaad kon. Dat er op die plek twaalf jaar later een parkeergarage zou worden gebouwd, konden zij niet weten. Anno 1963 was de gemeente immers nog van plan het Stadspark richting walmuur uit te breiden. Graafmachines zouden bij de aanleg van een park vrijwel zeker niet op een diepte van 1,75 meter komen ...

Op verzoek van de gemeente Maastricht kwam de commandant van de Explosieven Opruimingsdienst in Culemborg, de majoor Busscher, zich op de hoogte stellen. Op zijn advies en volgens zijn aanwijzingen zou de bom worden verwijderd. De opruimingswerkzaamheden zouden de bouw van de ondergrondse garage niet vertragen.

Met een graafmachine waarvan de bestuurderscabine met ijzeren platen was beveiligd, werd een eerste, voorzichtige poging gedaan op de plek waar de bom werd vermoed. Die mislukte. De volgende dag, op 7 augustus 1975 rand 12 uur 's middags, had de kraanmachinist van het slopersbedrijf Laurent Ravesteijn echter beet. Het bleek te gaan om een bescheiden Engelse General Purpose bomb, een brisantbom van 40 lb. De gemeentepolitie had uitgebreide maatregelen getroffen. De huizen en kantoren op de Onze Lieve Vrouwewal waren ontruimd, terwijl de Maasboulevard, de Bernardusstraat en de toegang en tot de Onze Lieve Vrouwewal waren afgezet. Een ambulance van de GGD was voor alle zekerheid paraat. Besloten werd het risico van demontage te vermijden en het projectiel te laten ontploffen. Het werd daarom vrijwel ter plekke in een zogenaamde springkuil gedeponeerd, met enkele vrachtwagenladingen zand afgedekt en met behulp van explosiever tot ontploffing gebracht. De vele nieuwsgierigen die op een grote afstand werden gehouden, hoorden rand vier uur 's middags een doffe klap. Slechts enkele scherven van het oorlogstuig werden teruggevonden.
 

Naor Bove

afbraak Bloodbak

Naor Bove

Bron: Zicht op Maastricht, St.Pieter grafmonumenten, MestreechOnline , RHCL,

eine terök