Dinghoes

(Dinghuis)

 

Het Dinghuis

De eerste vermelding van Het Dinghuis komt voor in een Cijnsregister uit 1377, het huis van de Schepenfamilie de Mayo od de Meye dat tot Rechtshuis of Dinghuis werd ingericht. De juiste ligging werd nog eens expleciet vermeld in een Schepenbrief uit 1402: deze noemt het huis 'Geheyten ten Meye ende nu is dat Denchuys inder stat Triecht gelegen in die straeten geheyten vurt cruys tusschen de Juedenstrate en het huys van Zeylen van Vleytingen de wisselaer' het hierin vermelde kruis dat voor het Dinghuis stond was een middeleeuws strafwerktuig, om fraudeurs te kijk te zetten.

In vroeger eeuwen aarzelde menig Maastrichtenaar binnen te gaan in het gebouw, waar men 'dingde' ofwel rechtsprak. Het Dinghuis bestond oorspronkelijk uit 4 verdiepingen, het aanzicht van het gebouw werd 1793 ingrijpend gewijzigd door de afbraak van de bovenste etage en de plaatsing van een driehoekig tympaan van Sichener steen. Behalve het gebruik als gerechtsgebouw en als bewaarplaats voor gestraften en arrestanten, was het Dinghuis van oudsher in gebruik als uitkijkpost. In de stadrekening 1399 - 1400 is er reeds sprake van de 'wekeren op Denchuys', die bij het naderen van de winter hout en kolen kreeg toegewezen. Of met 'wekeren' ook werkelijk de wachten op de uitkijkpost worden bedoeld is onduidelijk. In 1461 werd de wacht van de Lanscroon verplaats naar het Dinghuis.

Waarschijnlijk werd tegelijkertijd de in 1396 door Henric van Thoren vervaardigde uurwerk van de Lanscroon overgebracht en werden de wachters belast met het dagelijkse onderhoud, zoals het optakelen van de gewichten, het gelijk zetten en en smeren van het uurwerk. Het raadsverdrag van 16 april 1470 vermeld een zekere Heynric Mulart die 'der stat oerclock geregiert ende gesat heet mitten wijser op Dinckhuys' .De uitkijkpost ook 'koerwarden' genoemd, was speciaal bedoeld voor het slaan van alarm bij een begin van brand, ze mochten echter alleen alarm slaan als als er daadwerkelijk vuur werd gezien. Zodra zij ergens vuur ontdekten, moest men als signaal op de hoorn blazen, waarop iedereen met man en macht trachtte te redden wat er te redden viel. Maastricht is op één brand na, namelijk die van 1612 waarbij een groot gedeelte van de Brusselstraat afbrandde, het lot van een grote stadsbrand bespaard gebleven.

Ook diende de wachtlieden te letten op de komst van de vijand, die vooral in de zestiende eeuw regelmatig de poort van Maastricht naderde.

Naor Bove

Een raadsbesluit van 01 februari 1588 regelden nauwkeurig hoe de wachten moesten worden ingedeeld. er werden drie waken ingesteld, te weten dagwacht van het openen van de poorten tot het sluiten bij de avond na het sein van de poortklok, vervolgens de voormiddernachtwacht tot middernacht en tenslotte de namiddernachtwacht (de hondenwacht) tot het weer opengaan van de poorten. de dagwacht was verplicht alle voetvolk en ruiters, die hij vanaf zijn hoge standplaats de stad zag naderen of passeren, aan de stadsbewoners kenbaar te maken door een vlag uit te steken. vervolgens moest hij de klok luiden al naar het gelang lieden dat hij waarnam. de wacht die tot twaalf uur 's nachts dienst deed, moest speciaal op brand letten en bij ieder vol uur op zijn trompet blazen naar de drie hoeken van de stad. De hondenwacht was eveneens verplicht elk uur een signaal te geven tot vijf uur in de morgen.  Tenslotte verordonneerde de raad dat er een tweede klok in de toren werd opgehangen. De wachters moesten zo gauw de klok had geslagen ook deze klok luiden zoveel keer als het uur aangaf. Het was een maatregel die de magistraal ter controle van de wacht had ingesteld. Regelmatig waren er klachten over de wachtpost en maatregelen als hier omschreven bleek noodzakelijk.

De functie van uitkijkpost bleef ook in de volgende eeuwen gehandhaafd. In 1855 werd nog steeds melding gemaakt van de wachten op de toren van het Dinghuis en het luiden van de klok bij brand. Van een ander vorm van uitkijken was sprake tijdens de tweede wereldoorlog, toen de luchtbescherming in het Dinghuis werd ondergebracht.

Na het vertrek in 1664 van beide gerechten naar het nieuwe Stadhuis bleef het Dinghuis als gevangenis en uitkijkpost gehandhaafd, ook de post van cipier werd niet afgeschaft. Hij kreeg het zelfs drukker dan ooit want voor de nieuwbouw van het Stadshuis tussen 1659 en 1664 werd de gevangenpoort op de Markt afgebroken. Spoedig echter werden er ook in nieuwe Stadhuis cellen in gereedheid gebracht.

Het Lakenweverambacht had ook een ruimte in het Dinghuis voor het keuren van eigen en vreemde lakens.

Naor Bove

19e eeuw: 

In het eerste kwart diende het onder meer als Provoosthuis (huis van bewaring) en wapenmagazijn voor de dienstdoende schutterij. Na de opening van de nieuwe gevangenis aan de Minnebroedersweg in 1825 en na de opheffing van de schutterij in 1830 kwam er hier een eind aan. Nadien werd het gebouw gebruikt als repetitieruimte voor militaire muziekkorpsen. In 1913 is er het Provinciaal Museum in gehuisvest, verder is er gebruikt gemaakt door de Maastrichtse Telefoon Maatschappij, de Kamer van Koophandel, de Raadskelder, de Brug en Luchtbeschermingsdienst,  het Limburgs Thuisfront, Limburgs Poppenspel, Levensschool, jongeren sociëteit en later tot de dag van vandaag door het VVV.

Maastricht blijft bezig, in 2009 werd het Dinghuis 'in ere hersteld' de oorspronkelijke kleur is opnieuw aangebracht. Het is dezelfde rode kleur als de onlangs gerestaureerde St.Janstoren. Met de rode beschermingslaag op mergel-ornamenten van het Dinghuis is de aanblik weer zoals het vroeger was, aldus de Gemeente. Mooi, over smaak valt niet te twisten..

eine terök