Hoezer en Straote

in het Aw Mestreech

(Huizen en Straten in het oude Maastricht)

 

HUIZEN EN STRATEN IN HET OUDE MAASTRICHT:

Op onze wandelingen door Maastricht hebben we gezien, dat vele van de kerken, kapellen, poorten en refugiehuizen, die onze stad tot in de 16e eeuw binnen haar muren zag verrijzen, thans spoorloos verdwenen zijn. Gelukkig hebben de oudsten en tevens merkwaardigste monumenten de stormen der eeuwen weerstaan. Hoe zouden we wensen, dat ook iets meer van de mooie antieke woonhuizen bewaard ware gebleven. Veel, zeer veel schoons, ook uit latere tijd, is helaas verloren gegaan: door oorlogsgeweld, door brand, door modernisering. En wat bij slot van rekening aan verwoesting en verminking ontkwam, werd met een stevige laag verf of kalk bedekt, die aan alle steen zijn natuurlijke kleuren en tinten, aan iedere lijn haar scherpte en bevalligheid ontnam. Wat zou Maastricht een mooie stad zijn, als eens alle antieke gevels, welke men in vele straten bij tientallen kan aanwijzen, in hun oorspronkelijke staat, d.i. volgens den 17e- of 18e eeuwschen bouwtrant hersteld werden! Doch laten we, alvorens hierover uit te weiden, eerst een blik werpen in het oude tricht van vr de 17e eeuw.

Om ons gemakkelijker te kunnen orinteren, roepen we ons eerst de voormalige merkwaardige gebouwen voor den geest, waarvan we in de eerste reeks van onze "schetsen" melding hebben gemaakt (St.Nicolaaskerk - St.Antoniuskerk - de Lakenhal met markttoren - de Nieuwe Biesen- de oude St.Maartenskerk, de Beyard). en groepeeren die naast de overgeblevene langs de huidige straten en pleinen. Het Vrijthof ligt daar als in een lijst van kerken en kapellen; in 't westen de majestueuze St.Servaas met de haar onderhoorige St.Jan, aan de noordzijde de kapel van het Witte Vrouwenklooster, aan den oostkant die van het St.Servaasgasthuis, in 't zuidoosten de St.Jacobskapel. Op het Onze Lieve Vrouweplein prijkt de parochiekerk van St.Nicolaas naast de eeuwenoude kathedraal; het bescheiden St.Vincentiuskapelletje siert den hoek van de Breedestraat er tegenover. Op de Zaterdagsche markt vinden we de Lakenhal met den hooge belfort, aan de Houtmarkt de St.Mathiaskerk en de kapel van St.Catharina. Het noordeinde van de stad toont de mooie torens van de Antonietenkerk en van de Nieuwe Biesen. Waarheen we onze schreden ook wenden, overal treffen we kloosters, kapellen, monumentale "poorten" (adelijke huizen van steen) en refugiehuizen aan. Onnoodig ze alle op te noemen, we hebben ze vroeger reeds de revue laten passeren.

Wel moeten we nog wijzen op enkele voorname burgerwoningen, eveneens in hard materiaal opgetrokken, welke hier en daar, voorla langs de hoofdstraten, verspreid liggen, zooals de herberg "In den vogel Struys" aan het Vrijthof, die reeds in 1321 als steenen huis vermeld wordt, het huis met de twee wapenschilde in den hardsteenen poortboog Heggenstraat no.13, beide uit de 16e eeuw, het z.g. "Spaansch Gouvernement" aan de zuidzijde van het Vrijthof en het vermaarde "huis der edelen" dat aan de zuidzijde van de Brugstraat nabij den hoek van de Kersenmarkt gestaan heeft en bij net verbreeden van de straat in 1877 moest worden afgebroken.

De beide laatste waren merkwaardige gebouwen. De vier verdiepingen hooge gevel van het "huis der edelen" was rijk versierd met zuilen en frontons, met vele gebeeldhouwe koppen en medaillons. Ook droeg hij de wapens van Karel V, Filips II en Cornelis van Bergen, waaruit men kan afleiden, dat deze gevel omstreeks het midden van de 16e eeuw moet gebouwd zijn. De mooist bewerkte steenen worden thans - echter niet in geheel ongeschonden staat- in het museum van oudheden bewaard. Omtrent de oorspronkelijke bestemming van dit huis verkeert men in het onzekere. Sommige meenen, dat het een vergaderplaats van den adel geweest is, andere houden het voor een gildehuis.

Het "Spaansch Gouvernement" maakte oorspronkelijk deel uit van de kloostersingel en was het eigendom van een kanunnik (Joannes Fraybart). Deze schonk het in 1333 aan hertog Jan III van Brabant, wiens dochter Joanna het weer aan deken en kapittel van St.Servaas afstond onder beding, dat zij, zoolang ze leefde, in het huis zou mogen logeeren. Dat recht ging later op haar opvolgers over. Karel V maakte er een veelvuldig gebruik van. In 1520 nam hij in deze woning zijn intrek, toen hij als hertog van Brabant zijn "blijde inkomst" in Maastricht deed. Later heeft hij er in gezelschap van andere vorsten gelogeerd, b.v. in 1531 met zijn medesouverein Erard de la Marck, prins-bisschop van Luik, en in 1551 met zijn zoon Filips II bij gelegenheid van diens 'joyeuse ebtre'. Het "Spaansch Gouvernement" is een van de oudsten huizen van Maastricht. Blijkens een teekening van den ingenieur Klotz bestond de oostelijke helft in het begin van het jaar 1670 uit een benedenhuis van steen met een inrijpoort, doch zonder ramen, en een bovenhuis in houtvakwerk.

Een bijgebouw op den heok van de St.Jacobsstraat had een verdieping van planken. daarentegen had de westelijke helft van den gevels reeds een verdieping in steen. Deze dateert uit de 16e eeuw. een andere teekening toont ons het huis, zooals het tegen het einde van 1670 veranderd was. De geheele bovenverdieping was nu van steen en had zeven ramen, op dezelfde wijze geplaatst als thans nog. De drie ramen in het oudste gedeelte van den gevel zijn van een gothieke omlijsting voorzien, welke in de bogen in een maaswerk (gothish geornamenteerde boogvulling) verloopt. Tegen het maaswerk van het middelste raam is het wapen van het Habsburgsche huis aangebracht; dat van beide andere ramen draagt het devies van Karel V: de zinspreuk : "PLVS OVLTRE" op een banderol, die om twee gekroonde zuilen van Hercules geslagen is.

Naor Bove

We merkte reeds eerder op, dat er aanvankelijk in den voorgevel geen benedenramen waren. De vertrekken ontvingen hun licht van de achterzijde, waar het huis tevens van een galerij voorzien was. Eenige jaren geleden zijn vier van de zes kolommen van de galerij blootgelegd (in 1916-1917 door den architect W.Sprenger). De geornamenteerde hardsteenen zuilen worden overspannen door bogen van mergel. Ten gevolg van de opheffing van het kapittel kwam het huis in 1797 in handen van particulieren. eindelijk werd het in 1912 op een publieke veiling het eigendom van Jhr. Victor de Stuers, die het monument voor afbraak of verdere verminking wilde behoeden. Een groot contrast met de antieke monumenten en steenen woonhuizen vormden kleine groepen en langere rijen van minder kostbare houten woningen en eenvoudige leemen huisjes, bijna alle gedekt met strooien daken. Onder de houten huizen waren er met versieringen in lijst- en steekwerk. Deze getuigen van den goeden smaak der timmerlieden en niet minder van hun bedrevenheid: 't was toen de bloeitijd der ambachten. De leemen woningen daarentegen waren zeer eenvoudig van constructie. Men maakte een stevig geraamte van balken en ribben, met kozijnen voor de ramen eb deuren. een vlechtwerk van buigzame takken vulde de open vlakken tusschen de gebinten. Dor dit vlechtwerk aan beide zijden met een laag klei of leem (ook de 'leemplakkers" vormde een gilde. Ze hadden hun luibe boven de Oude Tweebergenpoort) te bestrijken verkreeg men tochtvrije wanden. Een dak van stroo of riet voltooide de primitieve woning.

Deze bouwtrant was in de 16e eeuw eigenlijk uit den tijd. Voor den huizenbouw gebruikte men toen algemeen den tuf of mergelsteen uit den St.Pietersberg, die reeds in late middeleeuwen de voornaamste bouwstof was geworden. Zoo vond men nu vele woonhuizen en schuren met een onderbouw van mergel en een bovenverdieping van hout of van met klei gepleisterd vlechtwerk. Een voorbeeld daarvan geeft ons de afbeelding van het "Spaansch Gouvernement" . Omstreeks 1550 kreeg de mergel een geduchten concurent in den baksteen, die beter bestand was tegen den invloed van het weer en daarom bij voorkeur in de buitenmuren verwerkt werd. Meer en meer was het gebruikelijk geworden, de bovenverdiepingen een halve meter of meer over te bouwen op en laag balken, gesteund door houten consoles. Een ander soort van uitbouw vond men bij de winkels; deze hadden boven de uitstalling een luifel van wel 11/2 2 meter breedte. In smalle straten belemmerden die vooruitspringende deelen de toetreding van lucht en licht, wat natuurlijk aan de gezondheid niet ten goede kwam. En dan was het aantal van die enge straatjes ook nog zoo groot!

Opmerkelijk waren de vele zeer nauwe steegjes, die tusschen de houten en leemen huizen door liepen en aan den achterkant op een smal straatje uitkwamen. Door deze 'rouwekens"  dreef de boer zijn vee naar de stallen achter zijn woning. Ook waren ze van betekenis voor de bestrijding van het brandgevaar: vooreerst sloegen de vlammen niet zoo licht van het eene op het andere pand over en ten tweede kon men bij het blusschen de zijgevels bereiken en daardoor den brand gemakkelijker in zijn voortgang stuiten. Tegen brand stond men, ook in de 17e en 18e eeuw nog, zoo goed als machteloos. Wat baadden duizend emmertjes water, welke uitwerking hadden de zwakke straaltjes van eenige primitieve brandspuiten, waar de woningen bijna geheel uit brandbaar materiaal bestonden ! Een brand was dan ook vaak een ramp, die een geheele stadsbuurt trof. Op onze derde wandeling door Maastricht maakten we melding van den brand, die in het jaar 1612 de zuidelijke rij huizen van de Brusselschestraat in den asch legde. Omtrent de pogingen om dezen brand te blusschen vonden we niets opgeteekend.

Naor Bove

Aan water kan het zeker niet ontbroken hebben, want er waren in deze buurt putten met drinkwater en poelen als drinkplaatsen voor het vee, b.v. bij het begin en het einde van de Brusselschestraat, op de Kommel en in de Calvariestraat. Ook zullen er op de boerenerven wel waterpoelen geweest zijn. Maar water alleen is niet voldoende om een grooten brand te blusschen; daartoe zijn ook brandspuiten of althans een flinke voorraad brandemmers noodig. En deze nu schijnen niet in voldoende aantal aanwezig te zijn geweest. Kort na den brand toch werd er van overheidswege een bevel uitgevaardigd, dat de ambachten verplichtte, op eigen kosten een zeker getal leeren brandemmers te laten maken en die in hun luiben te bewaren. Ook werden er brandpompen en ladders aangeschaft en over de verschillende kwartieren verdeeld. Tegelijkertijd stelde de vroedschap vast, dat voortaan alle brandgevels in baksteen opgetrokken moesten worden en wel tot n voet boven de daken. Een ordonnantie tot het afbreken van alle strooien daken had niet het gewenschte gevolg, thans onder bedreiging, "dat voornoemde daken van stadswege zullen worden gedemolieert".

 

Terloops weze we op het bestaan van waterpoelen en putten voor publiek gebruik. Men vond ze vooral op pleinen en bij de hoeken der straten, b.v. op het Vrijthof vr het St.Servaasgasthuis, midden op de Markt tusschen de Groote Gracht en het begin van de Boschstraat, bij den hoek van de Bogaardenstraat en de Grooten gracht. in Wijk vond men er ook. Sommige poelen waren omgeven door een muurtje, boven andere was een gewelf op pijlers aangebracht. De waterpoelen voor het vee waren wel het minst decoratief. Stel u maar eens voor, dat een van die modderige vijvertjes, zooals we ze thans hier en daar nog op de dorpen kennen, een mooi plaatsje op de Markt innam. Doch de poel scheen daar nu eenmaal onmisbaar en hield het uit tot 1670, toen hij wegens den "geur" gedempt werd. De meeste van deze waterreservoirs waren vr het einde gespaard in de landbouwbuurten, zoo b.v. die op de Boschstraat tegenover de Grachtstraat tot in 1703. In die wijken zag de stad er tamelijk landelijk uit. De koeien lieten natuurlijk in de nabijheid der waterpoelen sporen van hun dagelijksche bezoeken achter. Varkens, kippen, ganzen en eenden liepen vrij rond en wroetten en krabden en scharrelden, ieder op zijn manier, in het vuil, dat niet schaars langs den openbare weg verspreid lag. Ook waren er nog open terreinen naast vele huizen en erven, door een groene haag en vaak door een greppel van de straat gescheiden. Vraag niet, wat er in zoo'n bermsloot te vinden was. Een bordje met "STRENG VERBODEN VUIL TE STORTEN" zou geen overbodige weelde zijn geweest. Maar wat zou het gebaat hebben, als de politie zich toch om de reinheid van de straten niet bekommerde? En de vuilniskar dan? Ja. dat zou al een heet nuttig ding geweest zijn, als ze op geregelde tijden het vuil weghaalde. Maar dat gebeurde slechts nu en dan eens, als er een grootte opruiming gehouden moest worden, b.v. vr het bezoek van een vorst. Dan werden zelfs de wagensporen en kuilen in de wegen gevuld met... ja, met wat het gemakkelijkst en snelst aangevoerd kon worden: aarde, steen, puin, zelfs mest. In gewone tijden trok de overheid zich weinig van het onderhoud der wegen aan. Deze waren, op enkele uitzonderingen na, niet geplaveid, noch van een harde deklaag voorzien. Het regenwater kon niet afvloeien , doch verzamelde zich met het water, dat van de vele daken neerstroomde, in de gaten en sporen en doorweekte de heel bovenlaag. In het regenseizoen waren sommige straten ware modderplassen. Neen, hier had je niet met fijne lakschoentjes moeten gaan wandelen. Zoo'n uitstapje zou je mooi schoeisel slecht bekomen zijn. En als je in de donkeren winteravonden een noodzakelijk bezoek af te leggen had, zou je verstandig gedaan hebben, een paar vetleeren waterlaarzen aan te trekken en vooral ook een goede lantaarn mee te nemen, want openbare straatverlichting kende men nog niet.

 

In dien onthoudbaren toestand diende toch uiteindelijk verandering te komen. En die kwam er ook, maar... zeer langzaam en zeer geleidelijk. Vooral in de 17e eeuw kregen vele stadsgedeelten een geheel ander aanzien. De magistraat strekte zijn zorgen uit over den huizenbouw, de bestrating, de verlichting. De vroede vaderen begrepen, dat men, om een kwaal te genezen, beginnen moet met de oorzaak weg te nemen. Daarom trachtten ze het houden van vee te beperken, wijl dit de wegen verontreinigde en bedierf. Volgens een verordening van het jaar 1616 mochten schapen alleen worden gehouden door eigenaars en pachters, die minstens 10 bunder land bezaten, doch ook niet meer dan 50 stuks. Het houden van koeien, varkens en ganzen was alleen toegestaan aan personen, die er handel in dreven. En alleen herders, door de burgemeesters daartoe gemachtigd, mochten deze dieren naar de weide brengen. Met de straatverlichting werd een proef genomen in 1658. Men plaatste op de gevaarlijkste punten lantaarns met kaarsen. Dit kwam echter in verhouding tot het nut te duur uit. Daarom werden ze in 1664 weggenomen. Eerst 46 jaar later kwam er een algemeene straatverlichting door middel van 413 lantaarns, die op palen en ijzeren armen geplaatst werden. Dat was een prachtige verbetering. Intusschen was men ook begonnen de wegen te verbeteren door middel van rioleering en bestrating. Tot dusverre hadden de meeste straten in het midden een goot, wat vooral bij kruispunten groote belemmering van het verkeer veroorzaakte. in de 17e eeuw kwamen er ondergrondse riolen en toen eerst kon er sprake zijn van het maken van een goede bestrating. Doch dat plaveien zou voorloopig zoo'n vaart niet loopen.

Naor Bove

In 1675 nog verkeerde de batterijstraat in zoo'n wanhopigen toestand, dat de bewoners de noodige keien uit de Maas wilde halen, indien de gemeente bereid was, het plaveien voor haar rekening te nemen. Of de magistraat dit voorstel aangenomen heeft, wordt niet vermeld. In ieder geval blijkt er uit, waar 'm de kneep zat: men zag tegen de groote kosten op. daarop wijst ook een gemeenteraadbesluit, dat de bewoners en eigenaren der huizen verplichtte, de kosten van het bestraten te dragen, terwijl de stad steenen en zand zou leveren. Datzelfde raadsbesluit bepaalde, dat de uitstekende dakgoten ingetrokken en het regenwater door afvoerbuizen langs de huizen afgeleid moest worden "tot meerdere conservatie der straten". De zaak werd dus met ernst ter hand genomen. Ten aanzien van den huizenbouw werd voorgeschreven, dat alle vervallen huizen moesten worden hersteld en herbouwd en alle open terreinen behoorlijk volgebouwd. ook verdwenen tengevolge van een besluit van 1698 de heggen en greppels langs de tuinen en werden vervangen door muren. Zoo kreeg dus Maastricht vo'r het einde der 17e eeuw het voorkomen van een stad. In een volgende schets zullen we zien, wat de bouwkunst in dat belangrijk tijdperk tot stand heeft gebracht.

 Bron: Schetsen uit de Geschiedenis van Maastricht en omstreken, geschreven door M. Schoonbrood Hoofd der Rijksleerschool te Maastricht. en J.S.Grossier Leeraar H.B.S. te Amsterdam, tweede reeks uitgebracht door drukkerij Gebrs. van Aelst, O.L. Vrouwekade 10-11 Maastricht.  Foto/tekeningen: ,prenten P.Simons, foto's internet, Spaans Gouvernement www.zichtopmaastricht.nl

Aonvaank