Mestreech es Garnizoenplaots

(Maastricht als Garnizoensplaats)

 

Maastricht als Garnizoensplaats:

Toen de ambachts- en schuttersgilden de gewapende macht in de vesting Maastricht vormden, was ieder strijdbaar burger tevens krijgsman. Hij oefende zich in den wapenhandel, betrok in zijn kerspel de wacht op de wallen en nam bij een belegering deel aan de verdediging van de stad. In vredestijd werd deze krijgsdienst nauwelijks als last gevoeld. Het burgerlijk leven toch was er geheel op ingericht. 

Anders werd de toestand, toen er, bij het begin van den opstand tegen Spanje, een vast garnizoen van huurtroepen in de stad werd gelegd. (In 1567 Ook onder Karel V reeds had men in “periculeuse tijden” bv in 1542 troepen laten komen om de orde en rust te bewaren).

Deze stonden buiten alle nering en bedrijf en bewezen hoegenaamd geen diensten aan de burgermaatschappij. Ze waren integendeel een lastpost voor de ingezetenen. Daar ze geen eigen woningen hadden en er geen geregelde huishouding op na hielden, moesten de burgers hun huisvesting en vaak ook voeding verschaffen. Dit gaf, toen hun aantal al grooter en grooter werd, aanleiding tot vele moeilijkheden. Niemand heeft gaarne ongevraagde logé’s in zijn huis. Hoe onaangenaam moet het dan niet geweest zijn, eenige ruwe gasten, zooals er vele onder de gehuurde soldaten waren, voor onbepaalden tijd in zijn woning te moeten toelaten. Geen wonder, dat men op middelen zon, om van de ingekwartierden zoo weinig mogelijk hinder te hebben. De gezeten burgers lieten op verwijderde plaatsen en in afgelegen straten huizen met stalling voor de ruiters bouwen. Wie naar vermogen tot het inrichten van dergelijke “ruiterhuizen” bijdroegen, werden van de inkwartiering van het voetvolk vrijgesteld. Anderen maakte in hun woning een aparte ingang voor de kamer, die ze aan de soldaten afstonden. Of men bouwde buiten vóór het huis een hooge steenen trap met bordes, waarlangs de ingekwartierden hun vertrekken op de eerste verdieping konden bereiken. 

Op den duur bleek het inkwartieren van de troepen niet vol te houden, zoodat het gemeentebestuur het besluit nam, barakken te bouwen. In 1620 kon de eerste betrokken worden. Deze was in Wijk gelegen. Eenige jaren later kwam er een op den Maagdendries. De stad moest de barakken ook van het noodige meubilair voorzien en tevens de verlichting en verwarming bekostigen.

Dat de huisvesting voor de militairen heel wat te beteekenen had, wordt ons duidelijk, wanner we vernemen, dat het garnizoen soms uit 5 à 6 duizend man bestond. Wanneer er een oorlog  of een belegering te voorzien was, kwamen er nog ettelijke duizenden bij. Toen b.v. in 1672 oorlog met Frankrijk verwacht werd, stroomden de troepen van alle zijden hierheen. Hoewel men toen alweer over nieuwe barakken beschikte, aan de Ezelmarkt en bij den Nieuwenhof, moest er toch nog veel volk bij de burgers en in de kloosters gelogeerd worden. Kort vóór het uitbreken van den Spaanschen Successieoorlog werden er barakken gebouwd in de Raamstraat en op de Kommel, benevens een tweede in Wijk. En ook nu weer ging de inkwartiering in huizen en kloosters haar gang. De officieren ontvingen van stadswege vergoeding voor huisvesting en zochten een kosthuis of huurden voor hun gezin een passende woning. Alleen voor den garnizoenscommandant en den militairen gouverneur werd een uitzondering gemaakt. Deze bewoonden een deftig huis, door de stad speciaal voor hun gebouwd of gehuurd. Voor den commandant was dat sedert het begin van de achttiende eeuw het derde huis ten westen van den Minderbroedersberg  (Tongerschestraat 6-8). Op de woning van den gouverneur komen we in de volgende schets terug. 

In gewone tijden kreeg de stad van de Staten Generaal een jaarlijksch subsidie van ongeveer f 8000,00 als tegemoetkoming in de kosten van de huisvesting der troepen. Tijdens de garnizoensuitbreiding, wegens de verhouding van de Republiek tot Frankrijk na het jat 1668, werd haar 14000 gulden vergoed, benevens 2400 gulden voor vuur en licht in de verschillende wachthuizen, voor dien tijd een groote som. Voor de rust en veiligheid moet dus wel een uitgebreide wachtdienst noodig geweest zijn. Zoo was Maastricht een echt militaire stad geworden. Wat dat beteekent, kunnen wij, die nauwelijks de aanwezigheid van het tegenwoordige kleine garnizoen bemerken, ons moeilijk voorstellen. Verbeeld u, dat onze stad met haar ca 40000 inwoners, tien à vijftienduizend soldaten en officieren moest huisvesten. Dat toch was ongeveer de verhouding van burgers en militairen in de 17e eeuw, toen de burgerbevolking om en om de 12000 zielen telde. Welke uitbreiding zou de stad krijgen, indien er voor al die soldaten kazernen, voor de officiersgezinnen huizen gebouwd moesten worden. Hoe vreemd zou het lijken, als men op drie burgers, vrouwen en kinderen inbegrepen, één militair ontmoette!

Wat zouden de bakkers en slagers, de kruideniers en brouwers, de groenboeren en melkslijters in hun vuistje lachen, als ze dat leger van menschen elke dag de noodige spijzen en dranken moesten leveren. Zoo was de toestand in de 17e en 18e eeuw. Het staat vast, dat het garnizoen van grooten invloed is geweest op de welvaart van de stad, dat het menigeen een middel tot bestaan heeft verschaft, juist toen de lakenindustrie aan het kwijnen was. In de raadsnotulen van 2 December 1697 kan men lezen, dat aan den militairen gouverneur de Dopff door den magistraat een voeder wijn ter waarde van 100 halve souvereinen( één halve souverrein is ca 8,25 gulden) werd geschonken, o.m. wegens het verschaffen van een groot garnizoen. De lasten van de 16e eeuw waren dus langzamerhand in lusten veranderd.

Naor Bove

Franse soldaten 16e eeuw

Franse soldaten 17e eeuw

Het is van zelf sprekend, dat het militaire element een rol speelde in het vestigen van zeden, gewoonten en gebruiken. Het gaf kleur aan het levensbeeld der stad en uitte zich in druk beweeg en plechtig vertoon, waarin het volk behagen vond.

Onder tromgeroffel en trompetgeschetter trokken de compagnieën naar het exercitieveld; onder de opwekkende tonen der krijgsmuziek zette de colonne den urenlangen marsch in, gevolgd door honderden nieuwsgierigen.

Op nationale gedenkdagen werd er parade gehouden op het Vrijthof. Maastrichts aloude wapenplaats  bood dan een prachtige aanblik: de Nederlandsche vlag op de hoofdwacht, wapperende vaandels, wuivende pluimen, schitterende uniformen, dartele paarden, fiere ruiters, het bevel van den commandant, in langgerekte klanken uitgegalmd, dat alles maakte indruk op de samengestroomde volk. Niet minder de schoone bewegingen: het getrappel der paardenhoeven vermengd zich met den zwaren stap van het voetvolk en het zachte geklikklak der wapens, terwijl de troepenafdeelingen op de maat der regimentsmuziek een defilé uitvoerden, of zich in verschillende richtingen verplaatsten, op het plein een telkens wisselende mozaïekfiguur uitteekenend. Onderwijl dreunden de kanonnen op de wallen.  

Heel wat vertoon en luister werd door het garnizoen ook aan de plechtige ontvangst van vorsten en van de afgevaardigde der Staten Generaal bijgezet. Alvorens één van deze militaire ceremoniën te beschrijven, moeten we nog even op het bestuur der stad terugkomen. De bisschop van Luik en de Staten Generaal zonden om het andere jaar ieder twee afgezanten naar Maastricht. Deze droegen de titel van commissarissen – deciseurs. Aanvankelijk d.w.z. sedert 1545, bestond de taak van deze hooge ambtenaren  uitsluitend in het wijzen van vonnissen in hoogste beroep. De Luiksche commissarissen-deciseurs deden uitspraak in rechjtszaken, door de Luiksche schepenen behandeld. Bij de Brabantsche  commissarissen (de afgezanten van Karel V en zijn opvolger, later van de Staten Generaal) ging men in hooger beroep van de processen, welke voor het Brabantsche hooggerecht gevoerd waren. Voor de appèls van het indiviese lage gerecht hielden de afgezanten van de beide souvereinen gezamenlijke zitting.

Na 1579 oefende ze ook een belangrijken invloed op de stadsregeering uit. In dat jaar n.l. verloren de burgers alle vroegere rechten, zoodat ze voortaan, tot aan de komst der Franschen in 1795, van alle medezeggenschap in de benoeming van den magistraat verstoken waren. Het kiezen van burgemeesters, raadsleden, paymeesters (ontvangers), en pensionarissen (secretarissen) werd door de souvereinen aan hun commissarissen-deciseurs opgedragen. Het verlies van het kiesrecht zouden de burgers later diep betreuren. Na de inneming van Maastricht door Frederik Hendrik (1632) werden n.l. vanwege de Staten Generaal uitsluitend protestansche regeeringspersonen en gemeentenambtenaren benoemd (vanwege den bisschop van Luik werden alleen katholieken benoemd), een toestand, die door de katholieke burgerij als een onrecht werd gevoeld. Overigens waren de rechtspraak en het bestuur goed geregeld. En tegenover het verlies van het medezeggenschap der burgers in bestuurszaken stond toch ook een voordeel. Daar de vroedschap onverandelijk vanwege de beide souvereinen benoemd werd, konden de regenten hier nooit dien verderflijken invloed krijgen, welke in de steden, die zich zelf bestuurden, zooveel onheil gesticht heeft.

Tijdens hun verblijf te Maastricht waren de Luiksche commissarissen de gasten van de Observanten (Op Slavante), De Brabantsche  namen aanvankelijk hun intrek in een hotel, b.v. in den Windmolen ( Het huis La Rose-Stielen in de Grooten Staat), doch sedert 1627 in het nieuwe munthuis van het graafschap Vroenhof ( het munthuis tevens rechtbank van het graafschap Vroenhof was in 1627 gebouwd ter vervanging  van het in 1579 verwoeste “Hof van Lenculen” buiten de oude Lenculenpoort.) In het jaar 1700 ordonneerden de Staten Generaal, dat hun afgezanten ontvangen zouden worden met alle eerbewijzen, verschuldigd aan de souverreinen zelf. Ook oordeelde zij, dat het “munthuis” door een meer passende woning vervangen moest worden, en bouwden een monumentaal hotel, dat den naam van Statenhuis kreeg. 

Het Statenhuis (Het oude Statenhuis, voorheen de Royporte (Rode Poort) later de Munt genoemd, gebouwd in 1700 naar een ontwerp van de ingenieurs van het garnizoen werd in 1830 verbouwd tot particulier huis door dokter Jan Hendrik Bosch en verhoogd met een verdieping.
Dit pand werd in 1913/1914 gesloopt en in 1918 vervangen door het Hoofdpostkantoor, hoek huidige Keizer Karelplein/Statenstraat
)
hoewel eenvoudig van constructie, had een voornaam en deftig voorkomen. Het ruime voorplein was door een mooi ijzeren hekwerk van de straat gescheiden. De facade, in het midden uitgebouwd, was van een attiek (dakverdieping) voorzien. In het frontispies prijkte het wapen der Republiek met de zinspreuk: ‘Concordia res parvae crescunt’ (Eendracht maakt Macht). Een breede steenen trap voerde naar de hoofddeur, welke toegang gaf tot een ruime vestibule. Deze verdeelde het hotel in twee woningen voor de commissarissen en hun gezinnen. De kantoren en de vertrekken voor het dienstpersoneel waren in het benedenhuis. De stallen en koetshhuizen hadden hun ingang aan de Groote Gracht. Behalve voor de commissarissen-deciseurs was het hotel ook bestemd voor de afgevaardigde (van de Staten Generaal) , die belast waren met het toezicht  op de vestingwerken en het garnizoen. Deze kwamen ook om de twee jaren, doch in afwisseling met eerstgenoemde afgezanten.

In 1829 kwam het oude regeeringsgebouw in handen van particulieren, die het in verschillende woningen verdeelden met toegangen aan de Statenstraat en aan de Grote Gracht. Eindelijk moest het hoofdgebouw in 1914 plaats maken voor het nieuwe postkantoor. Alhoewel dit in een dringende behoefte voorzag, zal ieder Maastrichtenaar, die iets voor zijn stad gevoelt, het betreuren dat met een monument, waarvan historische herinneringen verbonden waren, tevens een van de rustige, stemmige plekjes is verloren gegaan, die het karakter van voornaamheid in het historische Maastricht zoo mooi deden uitkomen.

De intocht der Brabantsche afgevaardigde ging, zooals we zeiden, met grooten militairen luister gepaard. Het was een openbare plechtigheid, die heel Maastricht op de been bracht. In het “Jaarboek voor het Hertogdom Limburg” van het jaar 1851 komt een schets van deze ceremonie voor, die zich ongeveer als volgt laat uitwerken. 

In den morgen gaat een afdeeling cavalerie. Hun Edelmogende een paar uren buiten de stad tegemoet. Ondertusschen maken de verschillende wapens zich gereed om in groot tenue uit te trekken. Het volk stroomt naar de Boschspoort of verzamelt zich in de straten, waar de stoet voorbij zal trekken: Boschstraat, Spilstraat, Groote Staat en Vrijthof. De drukte neemt toe. De kanonnen op de wallen zijn geladen. Daar daveren de eerste salvo’s,  voor de burgerij een teeken, dat de afgezanten in aantocht zijn. De magistraat begeeft zich per rijtuig naar het glacis ( Glooiende aarden wal vóór den vestingmuur), buiten de Boschpoort. Hier heeft in een tent de begroeting der hooge bezoekers plaats, waarna hun eerewijn wordt aangeboden. Nu begint de plechtige intocht. De afdeeling ruiterij, die de commissarissen tegemoet is gereden, opent den stoet. Onmiddellijk daarachter komen de koetsen van Hun Edelmogenden, bespannen met zes paarden. Dan volgen de rijtuigen van den magistraat, van den militairen gouverneur en van de hoofdofficieren. Op het oogenblik, dat de commissarissen de stadspoort binnenrijden geven de kanonnen weer eenige salvo’s . Een indrukwekkend welkomsgroet! 

Stapvoets gaat het nu de straten door, waarlangs de verschillende corpsen van het garnizoen in haag zijn opgesteld. Telkens wanneer de stoet een troepenafdeeling nadert, nemen ruiters en voetvolk op het commando “Geeft acht!” de militaire houding aan en staan onbeweeglijk. Een tweede commando volgt en de troep brengt als één man met wapens en vaandel het militair saluut aan de hooge afgevaardigden. Zoo gaat het tot aan het Statenhuis, waar Hun Edelmogenden uitstappen. Terwijl ze de trappen van hun hotel bestijgen, dreunen voor de derde maal de kanonnen op de wallen. In hun woning ontvangen ze de gebruikelijke eerbewijzen van de burgelijke en  militairen autoriteiten, waarna ze weer naar buiten treden, om de troepen, die zich bij den stoet hebben aangesloten, te zien defileeren. De militaire gouverneur stelt zich aan het hoofd van het garnizoen, dat in gesloten orde langs het Statenhuis trekt.  

Met dit eerbewijs is de plechtigheid afgeloopen. 

Naor Bove

 Bron: Schetsen uit de Geschiedenis van Maastricht en omstreken, geschreven door M. Schoonbrood Hoofd der Rijksleerschool te Maastricht. en J.S.Grossier Leeraar H.B.S. te Amsterdam, tweede reeks uitgebracht door drukkerij Gebrs. van Aelst, O.L. Vrouwekade 10-11 Maastricht.  Foto:Mestreechter Steerke, Breur Henket, Maestrichtsche Dienstdoende Stadsschutterij 1815, blogspot rampjaar, blik op de wereld.

Aonvaank