Volksleve Aajd Tricht

'Uitingen van het Volksleven in het oude Tricht'

 

UITINGEN VAN HET VOLKSLEVEN IN HET OUDE TRICHT.

Het is 10 november van het jaar 1500 en zooveel. De zon is zooeven ondergegaan en kleurt de westerkim met een rossigen gloed, die op de torens van het oude Tricht een korte poos nog een zwakken schemerschijn werpt. De menschen, die buiten werken, hebben bij het vallen van den avond den arbeid gestaakt en keeren huiswaarts. De bedrijvigheid van den dag gaat allengkens over in de rust van den nacht. In sommigen straten heerscht evenwel nog een buitengewone drukte; vooral de jeugd toont zich ijverig. Er is daar iets bijzonders aan de hand; dat ziet men aan de vluggen bewegingen van de knapen en meisjes. Ze dragen bundeltjes stroo en spoeden zich daarmee naar de vezamelplaats, een plein of onbebouwd terrein waar, naar aloud gebruik, op de vooravond van St.Maartensdag een eigenaardig volksfeest gevierd wordt. Ook volwassenen en zelfs ouden van dagen doen er aan mee. De boerenzonen voeren het stroo bij heele bossen aan of torsen een hoop takken van naaldbomen. Als je niet wist, waartoe al die licht ontvlambare stoffen dienen moeten, zou je toch wel kunnen raden, dat er een aardig vuurtje gestookt gaat worde. Op het terrein gekomen, zie we een paar jongens bezig met het slaan van vuur. Handig wordt de stalen ring langs den vuursteen geslagen, zoodat de vonken er af vliegen. Het tondel vat vuur en verteert met een vlammetje. Dit is voldoende om de eerste fakkels aan te steken. Daar zweven ze reeds door het halfdonker, in minder dan geen tijd gevolgd door tien, twintig andere. Ze vliegen en zwaaien en kringelen door de lucht onder het vroolijk gejuich van de verzamelde menigte. Uit de verte gezien, lijkt het of een aantal vurige tongen een grilligen dans in het luchtruim uitvoeren. In snelle vaart naderen en kruisen ze elkaar, vereenigen zich tot paren en groepjes of verspreiden zich als stralen uit één middelpunt. Daar groepeeren zich eenige fakkels rondom een pas ontstoken vuur. Een groote rookwolk stijgt op en op twee, drie plaatsen slaan de vlammen reeds uit. De kinderen gooien hun fakkels op den brandstapel, die nu gauw in lichte laaie staat en een fantastisch schijnsel ver in de rondte verspreidt. Ondertusschen voert de joelende jeugd een vroolijken rondedans uit en zingt oude rijmpjes, fie hun overgrootouders ook reeds zongen. Het mooiste van alles is wel de brandende teerton ginds. Onder de luide hoera's der omstanders stijgt een stroom van vuur uit het zwarte vat omhoog en lost zich op in een gloeiende rookpluim. Het bromt en knettert en sist en kraakt zonder ophouden, wel een uur lang; eindelijk laten de banden los, zoodat de duigen in elkaar vallen. Een oogenblik slaat de vlam neer, een zwarte walm verspreidt zich, totdat de vlam weer opflakkert en de laatste overblijfselen van het teervat verslindt. Onderwijl begint de menigte zich te verwijderen en begeeft zich naar huis, waar het feest besloten wordt met het eten van St.Maartenskoeken en melkgerechten.

Het stoken van St.Maartensvuren heeft St.Maarten eigenlijk niets uit te staan. Het is een overblijfsel van een heidensh-goddsdienstig gebruik. Toen het christendom nog niet tot onze streken was doorgedrongen, offerden onze voorzaten de nuttigste zaken, die voor hun levensonderhoud noodig waren, aan de goden op. Zoo ook het vuur bij de nadering van het winterseizoen. Tevens brachten ze aan de huisgoden het offer van den nieuwen oogst door het bakken en eten van koeken. De bisschoppen en de hun onderhoorige priesters trachtten tevergeefs dit oude gebruik bij de bekeerlingen af te schaffen. Ze zagen zich genoodzaakt het te laten bestaan, doch brachten het in verband met St.Maarten (Martinus, bisschop van Tours in de 4e eeuw, wiens feest door de katholieke kerk op 11 november gevierd wordt) om het zoodoende zijn heidensch karakter te ontnemen. Thans worden er in verschillende plaatsen van Limburg en aangrenzende streken nog St.Maartensvuren gestookt en oude rijmpjes gezongen. Hoe moeilijk het is, voorvaderlijke zeden te veranderen, ondervond de magistraat van Maastricht. Wegens het brandgevaar, verbonden aan het stoken van vuren in een stad, waar nog vele huizen van hout gebouwd en met stroo gedekt waren, trachtte hij door verbodsbepalingen aan dat gebruik een einde te maken. Tevergeefs echter: het volk bleef vuren stoken. Dat het uiteindelijk toch zijn bekoring verloor en in de vergetelheid raakte, vindt zijn verklaring in de volgende feiten. Den 22 September 1539 werd zekere Pierre Frambachs in hechtenis genomen. Wat hij misdreven had, word niet vermeld, maar velen waren het met die gevangeneming niet eens en protesteerden. Anderen kozen de zijde van de rechtelijke macht en verdedigden haar optreden met klem. Weldra was de geheele stad in rep en roer. De twist liep zoo hoog, dat de partijen elkaar aanvielen. De woeste gevechten, die nu volgend, kostten aan twee voorname personen, een schout en een burgemeester, het leven. Toen de gemoederen tot rust gekomen waren, bleef er een wrok tusschen de partijen bestaan, zoodat de souvereinen het noodig achtten in te grijpen en de orde te herstellen. Met dat doel kwamen de prins-bisschop Cornelis van Bergen en een afgezant van Keizer Karel V het volgende jaar naar Maastricht. Zij veroordeelden de stad tot het betalen van een boete van 2000 gulden aan elk der prinsen. En dan volgde er nog een zonderlinge straf. Tot uitboeting van de misdaad, op de twee regeeringspersonen gepleegd, werde de burgers veroordeeld, om elk jaar en ten eeuwigen dage 's avonds vóór St.Maarten in de straten en op de openbare pleinen vuren te stoken. Wat vroeger voor jong en oud een groot vermaak was geweest, werd nu een straf. Straf volbrengen scheen niet aantrekkelijk en het gevolg van den maatregel was, dat men zich aan de opgelegde verplichting onttrok. Zoo kwam er een eind aan een eeuwenoud gebruik, waartegen verbodsbepalingen machteloos waren gebleken.

Naor Bove

De pleinen bij de kerken zijn steeds aantrekkingspunten geweest voor liedjeszangers en kunstenmakers, voor goochelaars en allerhande slag van rondtrekkende kooplieden. Als de menschen op Zondagmorgen uit de kerk kwamen, werden ze nu en dan bij trommelslag of trompetgeschal door zoo'n kermisreiziger gewaarschuwd, dat er een vertooning ging beginnen. Zoo is thans nog op de dorpen; zoo was het vroeger ook in de steden. Wilt ge weten, wat er in Maastricht op een kermis zooal te zien was? Ga dan in gedachten twee, drie eeuwen terug en kom mee naar het Vrijthof. Kijk eens, het wemelt er van menschen tusschen de kramen en tenten. Van alles is er te koop voor weinig geld: oliebollen en wafels, peperkoek en amandels, ulevellen en suikerstokken. Ook poppen en beeldjes en beursjes en vingerringen. Doch laten we liever eens gaan hooren, wat die kwakzalver daar vertelt. Met veel omhaal van geleerden woorden tracht hij zijn doosjes met pillen en zalf aan den man te brengen. Probate middelen tegen allerlei nare pijnen en kwalen ! De meeste menschen hebben geen vertrouwen in den wonderdokter. Doch zie, daar koopt er een een doosje zalf. EN nu volgen een dozijn twijfelaars zijn voorbeeld. Als er maar eens één schaap over den dam is.... Naast den pillendraaier, staat er een toonkunstenaar op een stoel. Wat heeft die een stem! 't Is hartroerend wat hij zingt. De treurige geschiedenis is in beeld gebracht op het doek, dat hij aan een paal heeft opgehangen. Voor een paar duiten kun je het lied kopen; zijn vrouw gaat met een heel bundeltje bij de omstanders rond. Pang, pang, boem! Een nieuwe vertooning! Het volk verzamelt zich om een troep comedianten. Zij onthalen de nieuwsgierigen op grappige tooneelen en oogsten luiden bijval in schaterlach en handgeklap. Zoo zijn er meer vermakelijheden, vooral voor de jeugd, die hier een groot deel van den dag doorbrengt. De mannen bezoeken de herbergen, waar ze zich met beugel- en kegelspel vermaken, doch ook met andere spelen, want- het is kermis.  Vanmiddag is er gans werpen. Een gans wordt gedood en met den hals in een ijzeren vork aan een schuin staanden paal opgehangen. Nu gaan de mannen op een afstand van ongeveer tien meter staan en werpen met een vierkante ijzeren staaf naar het dier . Als het geraakt wordt bengelt het heen en weer, zoodat de hals al meer en meer wordt uitgerekt. Een goed gerichte worp snijdt hem uiteindelijk door en de vette vogel valt op den grond als prijs voor den knappen ganzenwerper. Een tweede dier wordt geslacht en aan de galg gehangen. En opnieuw begint het mikken en gooien.

Dit walgelijke ruwe spel duurt zoo tot den avond voort. Daarna geeft het stof voor menig luidruchtig gesprek in de herberg, want zie je, daar zijn verscheidene prachtige worpen gedaan en het had had maar een haartje gescheeld, of Jan Zus en Piet Zoo waren winner geweest. Klaas en Dirk, de gelukkigen tegen wil en dank, willen hun fatsoen houden en geven een rondje. De hospes schenkt, het biertje schuimt- en weer is de kermis in de vollen gang. Ondertusschen klinkt vroolijke muziek de straten door en noodigt de feestvierenden tot ten dans. Niet steeds had de kermis zoo'n kalm verloop. Er kwamen wel eens ergerlijke tooneelen voor, die met een waardige viering van den Zondag absoluut in strijd waren. Ook de gewone Zondagen werden vaak door slechte gedragingen van het volk, alsmede door het drijven vaan koophandel ontheiligd. Dit blijkt ten duidelijkste uit een ordonnantie van den 25 Augustus 1662 tegen het schenden van den Zondag. Zeer streeg trad de magistraat tegen ingeslopen misbruiken op en verbood zoowel openbare vermakelijkheden, als het verkoopen in winkels en het spreken van ongepaste taal ziehier een uittreksel uit het bedoelde ordonnantie:

Alsoo bevonden wordt dat door Lancheydt van tijdt verscheyde excessen sijn ingecropen streckende tot misachtinghe van den Sondach, wesende den rustdach des Heeren. Soo ist dat deen eersaemen Raedt. Heeft goedgevonden te keuren, te verdragen ende te ordonneren dat voortaan gheenderhande werck- oft ambachtsluyden en sullen op de H. Sondach naqe sonnenopganck vermogen haer werck of ambacht te exerceren, haere huysen oft winckels te openen oft met opene ende ongesloten vensters te verkoopen. Dat besonderlijck gheen vleeschhouwers en sullen vermogen ten voorsacreven daeghe naer de klocke ses uren in den morgenstondt eenich vleesch te slachten. Dat gheene backers ten selven daeghe nae sonnenopganck en sullen vermogen eenigherhande broodt te backen. Dat op den selve dach geen appelen, peeren noch ander fruyten en sullen publijckelijk oft op stadtsstraeten mogen verkoft worden. Dat gheen genassen en sullen op den selve daeghe geworpen mogen worden, noch gheene dansspelen oft andere exercitien aengerecht. Dat gheene craemen nog winckels, ooch gheen rijfelaers noch dobbelaers ten selven daeghe voor de kerckdeuren, op kerckhoven ende gewijde plaetschen, op den Vrijdthoff ende andere plaetschen en sullen mogen opgestelt oft geleden worden; gelijck oock gheenrhande comedianten, quacksalvers, sanghers oft andere landtloopers en sullen op haere tooneelen oft andere plaetschen haer vermogen te vertoonen, te ageren oft te verkoopen. Ende dat voorts nijmandt met vloecken, sweren, lasteren, met tsaemenrottighen van jongers ende ambachtsgesellen oft met een andere geruchten ende ongeregltheden dan Sondach sal vermogen te ontheylighen, den godsdienst te steuren oft eenige de minste erghenisse oft aenstoot te geven. Alles op pene dat denghene ende een yeder van dien die bevonden sal worden aen dese politicque ordonnantie te hebben gecontravenieerd daerover een, twee, drij oft meer goltguldens (stuiver) sal verbeuren. Ende sullen de ouders voor haere kinderen ende de meesters voor haere dienstboden ende knechten hebben te responderen ende betaelen.

Het waren, blijkens bovenstaande bepalingen van het jaar 1662, toen geheel andere toestanden dan in onze tegenwoordige maatschappij. Toch komt er in die ordonnantie wel het een en ander voor wat ook thans nog van toepassing zou kunnen zijn.

Naor Bove

Het spreekt vanzelf, dat de volksfeesten niet alleen buitenshuis, maar ook in den gezelligen familiekring gevierd werden. Daar werd gezongen en gedanst en vooral ook gegeten en gedronken. Net als in onze dagen. Of eigenlijk toch wel eenigzins anders, want in eten en drinken waren onze voorouders ons beslist de baas af. Hun dagelijksche maaltijden waren weiliswaar eenvoudig; zelfs de tafel van den rijke kenmerkte zich door soberheid. Maar een feestdisch zag er in het algemeen zeer weelderig uit. Dat kan men afleiden uit de van spijslijsten, die in de archieven van Maastricht bewaard worden. Een voorbeeld:

Bij gelegenheid, dat de schepenzoon Hilarius van Werm in het jaar 1660 te Leuven den doctorstitel in de rechten verwierf, werd er een feestmaal aangericht van 67 gerechten, buiten en behalve 11 extra lekkernijen voor de "doctoors". Het geheele diner bestond uit meer dan 1300 schotels. Wat er op die schotels lag?  18 braetvarkens , 22 gebraden ganzen, 22 entvogels, 22 kalkoenen, 22 fazanten, 18 stukken hert, 18 idem ree, 18 idem wil zwijn, 18 Westphaalsche hespen, (hammen), 160 pasteien in 10 soorten, 22 amandeltourten, 21 schotelen suyckerhoytgens, alias suikerstokjes, 21 schotels geconfijte perzikken enz., enz., d.w.z. nog een kleine duizend schotels. Reken nu eens uit, hoeveel glaasjes er gevuld kunnen worden meet 366 vaetgens of vaatjens van 6 liter en ge twijfelt er geen oogenblik aan , dat er op het feest van den jurist Hilarius van Werm een gezellig stemming heeft geheerscht. Neen, aan luidruchtige vreugde heeft zelfs heeft het zeker niet ontbroken

En de "robuste gesteldheid" van onze kranige gasten was na afloop van den maaltijd naar alle waarschijnlijkheid niet zoo erg "verflauwd" als die van de Maastrichtse burgers, drie kwart eeuw later, tengevolge van het drinken van koffie en thee! We lezen daaromtrent, dat de Hollandsche kooplieden een groote hoeveelheid thee uit het Chineese rijk meebrachten, "die de kraght heeft van den maagh der bewoners van Europa te doen verflauwen", terwijl van de kusten van Amerika en uit de Oost koffieboonen werden gehaald. "En ziet - deze vochten werden in Nederland, België, Duitschland, en elders met smaak gedronken. Het gebruik van thee en kaffé  allengskens wat meer in voege koomende, zoo begon de gemeene ambagtsman zich eveneens aan dezen slappen waterdrank over te geven, verlatende het bier, dat de voornaamste impost der stad opleverde".

Hoe jammer toch, dat het bier verdrongen werd door slappe waterdranken, want nu ging niet alleeen de "robuste gesteltenis" der burgers ten onder, maar werd ook de voornaamste belastingbron verstopt; de bieraccijns heeft n.l. van oudsher groote sommen in de schatkist gestort. Geen nood echter, de vroede vaderen toonden zich knappe economen: "De regeringh ten hoogste besorgt voor de goede opbrengst der imposten, en tevens ziende dat de robuste gesteltenis harer borgers door het dagelijksch gebruik van deze waterdranken aan het verflauwen ging, wist geen beter middel om deze twee oogmerken te berijken, dan het stellen van een bijzonderen impost op kaffé en thee, die dan ook door de Commissarissen deciseurs werd goedgekeurd." Deze maatregel bleek afdoende: hij ging niet alleen het overtollig gebruik van deze "maagverflauwende dranken" tegen, zoodat menigeen nog zijn biertje bleef drinken, maar deed ook spoedig 2000 gulden per jaar aan accijnzen in de gemeentelijke schatkist vloeien, zoodat ook deze niet "verflauwde".

Naor Bove

 Bron: Schetsen uit de Geschiedenis van Maastricht en omstreken, geschreven door M. Schoonbrood Hoofd der Rijksleerschool te Maastricht. en J.S.Grossier Leeraar H.B.S. te Amsterdam, tweede reeks uitgebracht door drukkerij Gebrs. van Aelst, O.L. Vrouwekade 10-11 Maastricht.  Foto/tekeningen: Internet, 

Aonvaank