Zoutziederij Marres

(Maastricht vroeger)

 

Onderstaand verhaal is bij elkaar gezocht en geschreven door Gilbert Peters van website Alde Caerte die bijzondere verhalen en boeiende weetjes over Maastricht deelt, deze is aangevuld met informatie gevonden door John Kerkhofs.

Zoutindustrie aan de Brusselsestraat

Vanaf het einde van de middeleeuwen kende Maastricht een aantal zoutzieders, ambachtslui die zich bezighielden met de productie van consumptiezout. De meest bekende ‘zaajtstoker’ van onze stad was ongetwijfeld Zoutziederij Marres aan de Brusselsestraat, al was hij niet de eerste fabrikant op dit adres. Alweer een mooi stukje historie uit de laatste eeuwen van het vorige millennium.

In de grotere steden vormden zoutziederijen (of -raffinaderijen) vroeger een belangrijke tak van de plaatselijke nijverheid. Een zoutzieder maakt van ruw zout voor consumptie of ander gebruik geschikt zout. Het ruwe zout kan de vorm van zeewater hebben, zoals bij zoutziederijen in de kuststreken het geval is, of uit dieptes opgepompt zoutwater zijn. In Maastricht verwerkte men per schip aangevoerd steenzout uit zoutgroeves in Frankrijk en in Engeland. Dit zout, ook wel klip- of rotszout genoemd is geschikt om er mooi wit geraffineerd zout van te produceren.  De zoutpannen waarin dit proces gebeurde waren in het algemeen gemaakt van aan elkaar geniet of dakpansgewijs over elkaar bevestigd ijzerblik, deze kon tot 15 m lang, halve meter diep en 5 meter breed zijn en werd met een steenkoolvuur eronder gestookt . Het steenzout werd fijngemalen en opgelost in water. Door het vuur verdampte het water en kon schoon zout met lange lepels afgeschept en in vormen geperst worden, waarna het verder gedroogd werd.

De Rijnlandse zoutzieder Seydlitz produceerde o.a. industriezout voor de export naar de Pruisische provincie Rijnland. Zout speelde daar een rol bij de fabricage van soda, chloor, zoutzuur, bleekmiddelen en andere natriumzouten voor toepassing in glasblazerijen, leerlooierijen, verfstoffabrieken, zeepziederijen en textielfabrieken. In vroeger tijden was zout een van de belangrijkste handelsartikelen; om het bezit van zoutgroeven werd menige oorlog gevoerd. Vorsten, en ook de Pruisische staat, streefden naar een zoutmonopolie als inkomstenbron.

De zoutzieders, die al aan het einde van de middeleeuwen actief waren in Maastricht, vormden een onderdeel van het kramersambacht, een van de 23 ambachten (gilden) in de stad. Bekend in Maastricht was onder andere zoutzieder Pierre Hustinx aan de Looiersgracht. Hij bezat ook een koffiebranderij aan de Kapoenstraat. Aan de Grote Looiersstraat was de zoutziederij en zeep- en spijkerfabriek van Coenegracht gevestigd. Deze brande op 2 september 1868 helemaal af, wat het einde van deze fabriek betekende. Ook in Wyck zouden een of meerdere zoutziederijen actief zijn geweest. Hier is echter verder weinig over bekend. Een aardig detail hierbij is dat zoutzieden een continubedrijf was en daarom binnen de muren van de vesting moest worden uitgeoefend, zodat het bedrijf bij een belegering niet hoefde te worden stilgelegd en ontmanteld. Foto linksboven 28-12-1929 gevonden op Wikimedia,  tekst, Brusselsestraat 87, Zoutziederij van Marres met toegangspoort in een hardstenen omlijsting. Fotocollectie RHCL Maastricht GAM 12012. Fotograaf is onbekend.

 

De veruit bekendste zoutproductie in Maastricht bevond zich sinds de tweede helft van de achttiende eeuw aan de Brusselsestraat 87-89. Het bedrijf vervaardigde o.a. keukenzout en zout voor slachterijen (slagers) en kaasmakerijen. In de periode 1797 tot 1825 runden drie generaties Cazaux het zoutbedrijf, in 1814 werd er jaarlijks voor 400.000 franken aan zout verkocht. Aannemer Strengart nam in 1823 de helft van de zoutziederij, welke tot dan aan Cazaux behoorde in eigendom over. In 1825 verkreeg hij ook de andere helft. Toen de tweede helft na het overlijden van Maximilaan den Appel in 1825 op verzoek van zijn 6 kinderen in het openbaar zou worden verkocht, werd ze als volgt aangekondigd:

“Een zeer schoone, tans dienende en neringrijke zoutziederij, gelegen op de Brusselschetraat te Maastricht, bestaande in ses pannen met aanhorige kuypen, vuylbakken, citernen en verder toebehoor, daarboven eene werktijglijke molen door een paard beweegd – dog zonder paard zullende verkogt worden-  met onderaardsche Looten pijpen leydende de nodige Wateren tot de respective kuypen en pannen, alsmede nog een groot magazijn met zolders en onderaardsche steenen en gecimenteerde bakken, benevens een groot gebouw, bevoegd en onlangs gedient hebbende tot eene zeepziederij met olie-kelders en naast gelegen stallingen en twee groot eremisen, alsmede een mooi en nieuw gebouwd huis naast voorgeschreve zoutziederij gelegen , met aanhoorige tuin en kelders, zeer geschikt en gedient hebbende tot den wijnhandel. Bij die openbare verkoop werd het complex op 15 mile ingezet en na enige malen te zijn opgehoogd, voor f 17.500,00 aan Strengnart toegewezen”.

Het bedrijf kwam tot 1830 in handen van de aannemer Strengnart. Bij diens overlijden in dat jaar gaf zijn weduwe Sophia Den Appel het bedrijf ter exploitatie aan de eerdergenoemde Hubert Seydlitz, die het in 1846 in volle eigendom verwierf. Diens oudste zoon Hendrik zette het bedrijf na Huberts dood in 1869 nog tot 1871 voort, waarna het werd verkocht aan Joseph Marres. Het dan toe relatief kleine bedrijf werd onder leiding van drie generaties Marres uitgebouwd tot een goedlopend bedrijf met een zoutafzet tot zelfs buiten de landsgrenzen. Achter het kantoorpand annex directiewoning aan de Brusselsestraat, op de plek van het huidige Herdenkingsplein, ontwikkelde zich gestaag een heus industrieterrein met fabrieksgebouwen en -schoorstenen.

Foto rechts, Alde Caerte het voormalige kantoorpand annex directiewoning van Zoutziederij Marres anno 2021, .

Naor Bove

De concurrentie met de moderne industriële zoutproductie viel uiteindelijk voor het eerder ambachtelijke nijverheidsbedrijf niet vol te houden.
Na de sloop van de opstallen werden in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw plannen gemaakt voor (de omgeving van) het verlaten fabrieksterrein van Marres. Vanaf het begin van de jaren 90 werd gestart met woningbouw rond een plein, dat de naam Herdenkingsplein kreeg. De naam herinnert aan slachtoffers van totalitaire regimes, onder andere in Argentinië en Chili.

In 2014 werden tussen de Jekerstraat en de Brusselsestraat huizen gebouwd. Hierdoor ontstond een straatje, waarvoor enkele jaren eerder de straatnaam Salinecour (Saline is het Franse woord voor zout.) was vastgesteld. Dit was een verwijzing naar de zoutfabriek die daar tot 1957 in bedrijf was geweest. Aan de oostzijde is nog een stuk muur van de fabriekspoort uit 1869 bewaard gebleven. Na de oplevering van deze huizen werden huisnummers toegewezen die aansloten aan de nummering van de Jekerstraat. Omdat de nieuwe straatnaam hierdoor overbodig bleek en de huizen het adres Jekerstraat kregen, werd deze door de gemeente ingetrokken.

In de kranten:

Op 04-05-1892 schreef het Algemeen Handelsblad dat een werkman in eene gloeiende pan was gevallen, ten gevolge waarvan hij zulke hevige brandwonden bekwam, dat zijne overbrenging naar het gesticht Calvariënberg noodig werd.

Op 6 november 1894 is te lezen in de Limburger Koerier dat op 5 november 1894 brand uitbrak in de zoutziederij, deze kon echter al vrij snel geblust worden met water uit de waterleiding. Echter op 05-03-1903 werd door een vrij hevige uitslaande brand in de zoutziederij  de droogkamer totaal vernield, het zout dat daar te drogen lag is gedeeltelijk bedorven, de oorzaak is onbekend, alles was tegen brandschade verzekerd, aldus de Nieuwe Tilburgsche Courant.

In 1914 schreef de Limburger Koerier dat de weduwe Tilly den dag herdacht, dat zij vóór 25 jaar in dienst trad van de firma Marres.

Op 15 november 1939 melde de Limburger Koerier dat op 19-11-1939 dhr. J.J. (Jef) Peters woonachtig op het Orleansplein zijn 25 jarig jubileum als boekhouder bij de firma Jos Marres zal vieren. Dhr Peters heeft in die 25 jaar een stere uitbreiding van dit bedrijf meegemaakt en heeft in al die jaren zijn dagelijksche werkzaamheden verricht op een wijze, welke in alle opzichten de waardeering en tevredenheid van zijn patroon heeft verworven. Op zondag zal een H.Mis in de Sint Lambertuskerk worden opgedragen tot intentie van den jubilaris, terwijl hij twaalf tot half twee te zijnen huize. Orleansplein no.12 een receptie zal worden gehouden.

In verschillende Nederlandse dagbladen was te lezen dat de 25 jarige arbeider J.v.H. in de zoutziederij een losgeraakt blok zout op zijn lichaam kreeg. De man werd zo ernstig verwond, dat hij enkele uren later in het ziekenhuis is overleden. (Haarlems Dagblad-Heldersche Courant)

In 1945 konden volgens de Distributie Courant de bakkers/slagers in Maastricht op twee manieren het zout ontvangen.

De bakker/slager wendt zich met zijn bescheiden/coupures tot een grossier, alwaar hij het zout kan betrekken.

De bakker/slager wendt zich met zijn bescheiden/coupures tot het plaatselijke bureau regeeringsdepót C.A.V.V. Hier ontvangt hij een afleveringsopdracht voor het betrekken van zout rechtstreeks bij de Zoutziederij Marres.

In 1954 besteed het Limburgsch Dagblad aandacht dat de fa Marres nog een nieuwe zoutketel van 15 bij 8 meter aanschaft die in delen van 3000 kg ’s nachts werden vervoerd door de firma Dabekausen uit Beek, de pan werd vervaardigd door het constructiebedrijf Vossen uit Haanrade, de montage zou ook plaatsvinden door firma Vossen. Nadat deze in gebruik was genomen kwam het aantal zoutpannen op zes. Op dat moment waren er 87 mensen in dienst. Niet lang daarna, in 1957, werden alle klanten van oa fa Marres overgenomen door de Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie (KNZ). De KNZ betrekt de grondstoffen uit de Nederlandse bodem, de zoutzederijen moeten de grondstoffen importeren hetgeen uiteraard duurder is. De directeur van de zoutziederij deelt mee dat de toestand reeds geruime tijd zeer moeilijk is in verband met de voor deze zoutziederij onhoudbare prijzensituatie.

Op 6 februari 1957 wordt in het Limburgsch Dagblad gemeld dat het bedrijf na 100 jaar zal moeten stoppen, het bedrijf dat enige jaren nog gemoderniseerd werd zijn 25 man personeel werkzaam. Rein Sevenstern (1908-1974) was de laatste directeur van de zoutziederij Jos Marres. Sevenstern combineerde deze functie overigens met het bestuur van brandewijnfabriek R.W. Sevenstern & Zoon te Dieren in Gelderland. In 1951 deed hij mee met de rally van Monte Carlo met dhr. Polis de coureur en Sevenstern de navigator. Ze waren succesvol, aangezien ze met een 17e plaats in het algemeen klassement de best geklasseerde Nederlanders waren in 1955 dezen ze opnieuw meer aan deze rally, nu was. Sevenstern de coureur en Polis de navigator.

Naor Bove

 

BRONNEN: Foto zwartwit linksboven is van 28-12-1929 gevonden op Wikimedia,  tekst, Brusselsestraat 87, Zoutziederij van Marres met toegangspoort in een hardstenen omlijsting. Fotocollectie RHCL Maastricht GAM 12012. Fotograaf is onbekend. Foto rechts kleur  Alde Caerte het voormalige kantoorpand annex directiewoning van Zoutziederij Marres anno 2021.

Website Forum Mestreechonline, RHCL, Marres.nl.

Lectuur: Ach Lieve Tijd 17 ‘Twintig  eeuwen Maastricht, de Maastrichtenaren en hun nijverheid’ blz.403,  Historische Encyclopedie Maastricht, Ubachs/Evers; blz 597, De Straatnamen van Maastricht, Maasgouw 77-1958-23-251 ‘Het verdwijnen van de Maastrichtse Zoutziederij’ kolom 23 en 24, 

Delpher kranten:

04-05-1892 Algemeen Handelsblad ‘gloeiende pan’

06-11-1894 Limburger Koerier ‘brand’

05-03-1903 Nieuwe Tilburgsche Courant ‘brand droogkamer’

02-06-1914 Limburger Koerier ‘weduwe Tilly jubileum’

15-11-1939 Limburger Koerier ‘Jubilaris’

29-01-1942 Haarlems Dagblad ‘Dood door zoutblok’

23-03-1945 Distributie Courant ‘Levering zout’

10-11-1954 Limburgsch Dagblad ‘Zoutpan’

01-02-1957 Trouw ‘KNZ neemt klanten van Marres over’

07-02-1957 Limburgsch Dagblad ‘Marres stop de produktie’ 

Aonvaank