Wist Geer dat ?

(Armoede Wijck 1800-1900)

 

 

WIST JE DAT....

… de armoede in Wyck in de negentiende eeuw bijzonder groot was ? Dit blijkt uit de vele lijsten met opsommingen van armen die in aanmerking kwamen voor bijstand en dergelijke.
Zo werd in 1850 een tweetal verzamellijsten opgesteld die als titel meekregen: “Lysten der Armen in de Parochie van St. Marten de welke Bystand genieten te weten: 40 Provianten, 60 Armen. Opgemaakt den 1 Februari 1850.”
Op de eerste lijst, genaamd “Provianten ten getale van viertig”, komen veertig Wyckenaren (al dan niet met gezin) voor, die officieel “proviant” waren en recht hadden op een zogenaamde “prove” (bijstand) van de kerk (in dit geval dus de Sint Martinuskerk in Wyck).
Hierna volgt een aantal personen dat op deze eerste lijst met provianten voorkomt, met vermelding van de vaak schrijnende omstandigheden waarin zij verkeerden.
Christoffel Biesmans, wonende “Oeveren no 395”. Opmerking: “Oud 46 jaren weduwenaar met 5 ongetrokke kinderen van Christina Hubertina Louis, heeft nog 3 kinderen thuys en 2 kinderen in het armen huis”.
Caspard Neven, wonende “aan S Martin Poort bij Franssen”. Opmerking: “Oud 69 jaren en zijn vrouw 68, geheel lam en onbekwaam”.
Dominicus van Horen, wonende “Hoogbarakken” (later werd dit gewijzigd in: “Regtstraat No 202. Opmerking: “Oud 54 jaren werkman bij de heer Hustinx op de Smeermaas, zijne vrouw zedert 12 jaren bedlegerig, en 5 kinderen thuis”.
Cornelis Somers, wonende “Kattestraat” (later werd dit gewijzigd in: Hoogbrugge No 15. Opmerking: “Kleermakersgezel oud 55 jaren heeft eene lamme hand”. Volgens een latere aantekening werd Cornelis later overgebracht naar “Calvarienberg”.


De tweede lijst, genaamd “Lijst der 60 Armen aan de welke alle Zondagen een geheel roggebrood wort uitgedeeld”, bevat zestig Wyckenaren (al dan niet met gezin) die elke zondag een brood van de Sint Martinuskerk ontvingen.
Op deze lijst is onder anderen vermeld:
Jacobus Smaal, wonende “Ruiterstraat No 291”. Opmerking: “Oud 66 jaren, hij en zijne vrouw onbekwaam, blind, gehuwd met Joanna Ramakers, gebrekkig, oud 61 jaren”.
(Bron: Regionaal Historisch Centrum Limburg, Archief H. Martinus II, inventarisnummer 1934).
 

Armoede in Maastricht rond 1900.

'Totse hunne rats mer zellefs vrete'.

Maastricht telde er rond 1900 zo'n vijfentwintig.
Armenhuizen.
Ze lagen aan het Lang en Klein Grachtje.
Per boog in de eerste stadsmuur een armenhuisje.
Als je geen inkomen had om een eenkamerwoning in een van de aftandse kazernes te huren of als je oud en gebrekkig was, kon je in een van de huisjes terecht.

Arm anno 1900.
De burgerschool, de voorbereiding voor HBS en gymnasium, bleef met twintig gulden schoolgeld onbereikbaar voor de massa van arbeiders en armen.
Was je pa een geschoolde arbeider en verdiende hij redelijk goed in een van de aardewerkfabrieken, kon je misschien naar de tussenschool ? raison van tien cent per week.
Maar de massa van de arme kinderen kwam op een van de 'klompenscholen' in de binnenstad terecht die door de Broeders van de Beyart of de zusters Onder de Bogen geleid werden.
In de winter kreeg je erwtensoep, met sinterklaas 'n humme en een peperkoeken mannetje.

Armenwoningen, de klompen die de arme kinderen droegen, het waren net zo'n uiterlijke kenmerken van de paupers als de mutsen die de gamins op hadden hij hun eerste communie.
Als je arme ouders het zich konden veroorloven droeg je als communicant in je mooi pekske natuurlijk een bolhoed.
De jongens, die een muts droegen, hadden hun communiekleren van het armbestuur.
Soep kreeg je bijvoorbeeld bij de Momus Soepkokerij in het Heilig Geeststraatje vlakbij de Markt.
Mömessop was een begrip in Maastricht.
Fons Olterdissen vertelt hoe arme Zjannet twee dames van de sjariteit in het steegje bij de Markt de huid volscheldt.
"Totse hunne rats mer zellefs vrete" (dat ze hun prut maar zelf opeten), riep Zjannet de dames van de Charit? toe.
De vrouwen waren niet gecharmeerd van het gedrag van deze opstandige cliënte.
De kans dat Zjannet nog brood- of soepkaarten zou krijgen, was vrijwel nihil.
De particuliere armenzorg - zeg maar de bijstand van 1900 - was in Maastricht wijd verbreid.
De gegoede dames en heren bezochten de armen met het notitieboekje in de hand.
De linnenkast ging open om te kijken of je wel 'recht' had op beddengoed.
De Vincentianen en de dames van de sjariteit deden natuurlijk ook aan zieltjes winnen voor de kerk.
Want het oude middeleeuwse adagium dat de rijke zonder de arme niet in de hemel kon komen, was anno 1900 nog gemeengoed.

In het midden twee armenhuizen op de hoek Achter de Molens en Grote Looiersstraat.

Hoeveel armen Maastricht begin vorige eeuw telde, is moeilijk aan te geven.
Het Burgerlijk Armbestuur schatte rond 1913 dat zo'n veertig ? vijftig procent van de Maastrichtenaren wel eens op de bedelingslijsten stond.
Een op de tien Maastrichtenaren werd permanent ondersteund.
Waarschijnlijk zijn de cijfers overdreven, maar ze geven wel aan hoe triest de situatie in Maastricht was.
En dat in een tijdperk, de belle epoque van 1900-1914, waarin het de Maastrichtse bedrijven royaal voor de wind ging en er volop werk was.
Armoede leek wel onuitroeibaar in Maastricht.
Frans Marckx, de secretaris van het Burgerlijk Armbestuur, verzuchtte in 1887 - voor de enquêtecommissie die onderzoek deed naar de (kinder)arbeid in de fabrieken - dat jonggetrouwden soms al een week na hun huwelijk bij het armbestuur aanklopten.
Bij het volk heerst de mening dat men recht op hulp heeft, klaagde Marckx.
Het 'schuim der groote steden', zoals de in 1878 overleden pottekeuning Petrus Regout de paupers genoemd had, klopte in Maastricht anno 1900 vooral aan bij het Burgerlijk Armbestuur.
Het armbestuur klaagde daar steen en been over.
Want de middelen ontbraken om de grote massa armen, zieken en bejaarden te helpen.
Onderscheid tussen arbeiders en armen bestond in de negentiende eeuw niet.
Pas rond 1900 brak in verlichte armenzorgkringen de opvatting door dat er een verschil bestond tussen een arbeider die werkloos werd en een arme, die niet kon of wilde werken en wiens (voor)ouders vaak ook al ondersteund werden door het armbestuur.
Als ze niet voldoende ondersteuning kregen, zochten de armen naar andere middelen van bestaan.
Zoals smokkelen.
De 'calculerende' arme was geen onbekend verschijnsel.
Kreeg hij geen ondersteuning bij het gemeentelijk armbestuur, klopte hij aan bij de kerkelijke of particuliere armenzorg.
De armenwet van 1912 moest daaraan een eind maken.
Maastricht had een jaar later de primeur van de Armenraad, waarin het Burgerlijk Armbestuur samenwerkte met de verenigingen en informatie uitgewisseld werd over cliënten.
De dubbelbedelingen waren daarmee zo goed als verleden tijd en ook het naar elkaar doorschuiven van bepaalde cliënten.

Stadsbeeld Maastricht in 1800
Het Bat 1800
Boschstraat 1890

Nao Bove

Aonvaank