|
Wapensmid Fam Stevens |
Petrus Stevens, voor zijn naaste omgeving Pierre, is geboren in het jaar 1800. Hij is ondernemer op velerlei gebied. Op de dag van zijn negentiende verjaardag neemt hij de houthandel van zijn vader over die daags daarvoor is gestorven. Deze handel lag aan het Bassin te Maastricht. Stevens begint als handelaar in bouwmaterialen, timmerhout, leien, dakpannen, vuurvaste bakstenen, cement, teer, steenkool en ijzer. Hij heeft een timmerfabriek en schrijft in op openbare aanbestedingen. In 1836 begint hij met de
levering aan het Nederlandse leger van geweren, en van onderdelen
daarvan zoals het draaghout, de meestal van notenhout gemaakte
voorlade, kolf en greep. Bij het begin van de Belgische afscheiding in 1830 stoppen voor het Nederlandse leger de wapenleveringen van de Luikse wapenfabrieken. Nederland heeft geen eigen geweerfabriek. Petrus Regout richt zich daarom in 1834 tot het Rijk met het verzoek een geweerfabriek te mogen oprichten. Dit verzoek wordt geweigerd. In 1842 wordt hij wel belast met transformatie van vuursteengeweren naar een percussiesysteem (dus met slagpin voor het Nederlandse leger). Dit wordt verzorgd door Pie Regout en Wijnand Clermont aan de Boschstraat in het leegstaande deel van de kristalslijperij en de gebouwen van de vroegere spijkerfabriek. Dat mislukte, per één juli 1843 nam het rijk de ombouw zelf ter hand, waartoe gebouwen en inrichting van Regout gehuurd werden voor zes jaar. Naderhand werden de Rijks geweerwinkel verplaats en kwam toen in handen van Pierre Stevens. Dit leidde tevens tot de oprichting van een door De Beaumont, de Beaumont geweerfabriek. |
|
Koninklijke Wapenfabriek P. Stevens te Maastricht 1849 - 1880Deze is opgericht door Pierre Stevens in 1847, later genaamd Manufacture Royale des Armes à Feu (Koninklijke vuurwapenfabriek) (1855). Zij maakt Nederland na de afscheiding van België onafhankelijk van de Waalse wapenindustrie voor de levering en reparatie van infanteriegeweren, karabijnen en pistolen. Wanneer het Rijk tegen het einde van de jaren veertig de werkzaamheden in de Maastrichtse geweerwerkplaatsen beëindigt begint Stevens in deze gebouwen een wapenfabriek, die voorspoedig start met orders van het Ministerie van koloniën voor o.a. de aanmaak van 2.000 geweren, type slaggeweer model M 1842 en pistolen, type slagpistool model M 1850 voor het Nederlands Indische leger. Dit pistool heeft geleidelijk alle andere pistoolmodellen in leger vervangen en heeft als enige dienst gedaan tot 1875. Daarna is het op zijn beurt weer geleidelijk vervangen door een revolver, model M 75. Het duurde nog tot 1894 alvorens dit model geheel uit het leger was verdwenen. Daarbij blijft Stevens wapenhandelaar en assembleert en fabriceert meerdere soorten geweren, pistolen en bajonetten. Petrus Stevens slaagt erin meer opdrachten van
de ministeries van Oorlog, Marine en Koloniën te verwerven. Hierdoor
bloeit zijn bedrijf en alleen al in zijn wapenfabriek werken dan 187
mensen. In zijn fabrieken in de stad, met name in de hoofdvestiging in de Grachtstraat/Coxstraat/St. Antoniusstraat worden hoofdzakelijk wapens geassembleerd van meest in Luik aangekochte onderdelen, maar ook de draaghouten gefabriceerd. Voor de wapenfabriek worden diverse gebouwen en gronden aangekocht, waaronder een watermolen aan de Jeker in het buurtschap Biesland, gemeente Oud-Vroenhoven, die kan zorgen voor de benodigde aandrijfkracht voor de fabricage van geweerlopen. Waterkracht was toen in Limburg de hoofdbron voor energie in een tijdperk dat nog geen elektriciteit kende en de stoommachine nog moest worden uitgevonden. Windenergie, opgewekt door windmolens, was vooral in Noordelijker streken de krachtbron. Aan het riviertje de Jeker lagen van oudsher een drietal watermolens voor de productie van graan en olie, twee op de linkeroever in de gemeente Oud-Vroenhoven en een op de rechteroever op het grondgebied van Sint Pieter. Later koopt Stevens ook nog de ernaast gelegen molen. Deze molen heet sinds de 'pacificatie' van het, thans Indonesische, eiland Lombok door het Nederlandse leger in 1894 de molen van Lombok, maar of de strijd daar beslecht is door kogels uit geweerlopen gemaakt in deze molens kan in twijfel getrokken worden. Hij is voor zijn tijd een zeer sociaal
werkgever. Bij de ministeriële enquête naar kinderarbeid in 1860
slaat hij het beste figuur in Maastricht: er werken dan 132
werklieden (1874-1875 ca 300) en allen zijn van het mannelijk geslacht (in die tijd als
positief beoordeeld) en ze zijn niet jonger dan 14 jaar. |
|
Door de Nederlandse, de Belgische en de Zweedse staat wordt hij onderscheiden met ridderordes. Hij wordt ridder in de orde van de Eikenkroon, ridder in de orde van Leopold I en ridder in de orde van Wasa. Om welke redenen hij deze onderscheidingen kreeg is nog niet onderzocht. Na zijn dood in 1863 wordt de firma door zijn vier zonen voortgezet. Het aantal werknemers wisselt afhankelijk van het aantal orders. Vanaf medio 1867 krijgt de fabriek opdracht van het Rijk voor de ombouw van geweren van voor- tot achterladers. Het is internationaal een roerige tijd, de Pruisisch-Oostenrijkse oorlog van 1866 had de beslissende stoot geleverd tot de invoering van achterladers. In 1870 besloot het Rijk tot de invoering van het Beaumont geweer voor het Nederlandse leger als opvolger van omgebouwde geweren naar model Snider. Dit geweer, een een-schots grendelwapen met bajonet, officieel bekend als Model 1871 infanteriegeweer klein kaliber, was ingebracht door de eveneens uit Maastricht afkomstige wapenhandelaar Edouard de Beaumont (1841-1895). Het mechanisme was bedacht door de Luikse wapenfabrikant J.J. Cloes en toont gelijkenis met het Franse Chassepotgeweer en op onderdelen ook met het Duitse Mauser Norris geweer. De geweren worden door het Rijk bij o.a Edouard de Beaumont en Petrus Stevens besteld. Beaumont laat ze fabriceren bij de Manufacture d'Armes in St. Étienne (Fr.). Door het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog stopt hun levering in 1870, waarop tot 1874 de fabricage uitbesteed wordt aan Simson, Göbel en Bornmüller in Suhl (Dld.). P. Stevens vervaardigt de geweren in zijn eigen fabrieken. Tevens worden ze vervaardigd in de Werkplaats voor Draagbare Wapenen te Delft en er zijn ook zijn exemplaren bekend die in Luik gemaakt zijn bij de firma G. Mordent. In totaal zijn er door het Nederlandse leger tussen 1869 en 1880 meer dan 138.000 Beaumont geweren aangekocht. De productie in de fabrieken van Stevens is aanzienlijk gestegen en zo ook het aantal van zijn arbeiders. In het jaar 1871 zijn dat 500 man. Overigens leidt een en ander tot een claim van Edouard de Beaumont wegens patentschending. Een claim die door de rechter is afgewezen.
Wanneer het leger voorzien is, en daarmee de
markt verzadigd, rest nog slechts de levering van revolvers voor
officieren. |
|
Geweer gesigneerd P. Stevens
Dank gaat uit naar de heer E. de Beaumont voor zijn bijdragen aan deze pagina. Op zijn site Edouard de Beaumont vindt U veel over de wapenindustrie in Maastricht in de negentiende eeuw met name van de firma De Beaumont-Soleil. |
|
|
|
Bron: Site Stevens Wapenfabrikant, Mestreechonline, Andere Bronnen via sites Marres |
|