Wist Geer dat ?

(Thomas Lambertus Randaxhe?)

 

WIST JE DAT…

… in de jaren zeventig van de achttiende eeuw het college van kerk- en armenmeesters van de parochie van Sint Martinus te Wyck werd geconfronteerd met een kapelaan die ernstige trekken van krankzinnigheid begon te vertonen en dacht dat hij de Prins-Bisschop van Luik was ?
Zijn naam was Thomas Lambertus Randaxhe. Deze kwestie moet het college zelf ook tot totale waanzin hebben gedreven: zo werd de kapelaan steeds weigerachtiger om belangrijke stukken van de parochie af te geven aan het college, en ook betaalde hij de onderkapelaans niet meer op tijd. Kortom: zijn functie als kapelaan oefende Randaxhe niet meer op normale wijze uit.


Uit een document dat zich bevindt in het archief van de parochie blijkt dat de situatie in de loop der tijd onhoudbaar werd: op 15 november 1776 werd door de hoogschout en schepenen van het Brabants Hoofdgerecht van de stad Maastricht het besluit genomen om kapelaan Randaxhe onder curatele te stellen. Aan de curator (de heer Römers) werd toestemming verleend om de kapelaan provisorisch voor een periode van zes weken te laten opsluiten in het Cellebroedersklooster aan de Brusselsestraat. Na genoemde periode zou bekeken dienen te worden of de kapelaan een meer geschikter onderkomen zou krijgen.
Wat was aan dit besluit voorafgegaan? Op 12 oktober 1776 had de heer A.J. Ross, "momboir deeser stadt", zich vervoegd bij kapelaan Randaxhe om een geldbedrag van ruim 108 gulden bij hem op te eisen. Dit bedrag was hij verschuldigd aan de heer Soiron, "stadsmetselaer", die een muur aan het huis van de kapelaan, gelegen in de Rechtstraat (genaamd "de Ster"), had afgebroken en opnieuw gebouwd. Soiron had deze reparatie uitgevoerd op last van de stad Maastricht die een gevaar van instorting wilde voorkomen. Toen genoemde heer Ross het bedrag van 108 gulden kwam opeisen en Randaxhe aansprak als kapelaan, kreeg hij van Randaxhe het antwoord dat hij geen kapelaan was, maar wel "Bisschop en Prince van Luyck". Aangezien de heer Ross de tekenen van krankzinnigheid bemerkte, sprak hij hem gedurende het daaropvolgende gesprek aan als "mijn Heer de Bisschop". Randaxhe liet Ross tijdens het gesprek weten dat hij zeer verbaasd was dat de magistraat van Maastricht hem, "haaren Heer en Meester" (de Prins-Bisschop van Luik was namelijk een van de twee gezaghebbers van Maastricht), liet aanmanen om gemeld bedrag te betalen.

Naar aanleiding van dit gesprek liet Ross de hoogschout en schepenen weten dat Randaxhe aan een zeer sterke vorm van krankzinnigheid leed. Om hier kracht bij te zetten verwees Ross ook naar een aantal brieven van de hand van Randaxhe waarin hij de hoedanigheid van diverse personen aannaam. Een van die brieven had Randaxhe geschreven aan generaal Van Schuylenborg, een van de burgemeester Maastricht, in welke brief Randaxhe, in zijn hoedanigheid van Prins-Bisschop van Luik, de burgemeester had aangemaand rekening en verantwoording af te leggen aan hem. Alvorens de hoogschout en schepenen het besluit namen tot het onder curatele stellen van Randaxhe werd een en ander eerst gecommuniceerd met het college van kerk- en armenmeesters van de parochie. Gezien alle problemen die de parochie de afgelopen jaren had moeten ondervinden door het gedrag van Randaxhe, werd positief gereageerd op het besluit van de hoogschout en schepenen.


Op de afbeelding een portret van François-Charles de Velbrück (1719-1784), Prins-Bisschop van Luik (1772-1784) ten tijde van de "affaire" van de krankzinnige kapelaan die dacht dat hij de Prins-Bisschop van Luik was.

Bron Mestreech Online, dhr.Vrancken van Team Notarissen in het blad Groet Wiek, buurtblad voor Wyck, Maartenspoort en Ceramique

Nao Bove

Aonvaank